Terug naar… 18 april 1896

Opstandelingen hebben in Atjeh een aantal Nederlandse posten belegerd. Deze zullen dus ontzet moeten worden. Twee colonnes (waarvan één onder leiding staat van een zekere luitenant-kolonel J.B. van Heutsz) moeten deze klus klaren:

Zooals gisteren reeds werd ondersteld, zal men dus trachten de posten bezuiden de geconcentreerde stelling op één en denzelfden dag te ontzetten, om daarna de gebouwen aan de vlammen prijs te geven en de bentings zooveel mogelijk voor den vijand onbruikbaar te maken.
[…]
Het is begrijpelijk, dat men aldus in twee colonnes is uitgerukt, opdat de vijand verdeeld zal blijven.
Toch zal het verzet zeker wel zeer hevig zijn, en het is helaas te verwachten, dat we morgen weder gewag moeten maken van belangrijke verliezen.

Uiteraard strijden de Nederlanders voor de goede zaak in Atjeh. Een commentator schrijft elders:

Juist nu we weer in Atjeh moeten toonen dat wij onzen plicht willen doen in den strijd tusschen beschaving en barbarisme, als koloniale mogendheid, welke de scheepvaart en den handel in de zeeën van Sumatra te beschermen heeft, is het goed er nog eens op te wijzen dat wij verantwoordelijk optreden in het Oosten. Wij handelen als een mogendheid, die door erfenis aansprakelijk is voor het goed beheer, orde en welvaart van de bevolking van Insulinde.

Er zijn zeker verbeteringen mogelijk, maar over het algemeen hebben we het beste voor met de lokale bewoners: we hebben spoorwegen aangelegd, we zorgen voor onderwijs en we hebben de ziekenzorg verbeterd. Daarnaast zijn we minder racistisch dan de Engelsen:

Dat neerzien op een ras van andere kleur is ons minder eigen. Dat de Engelschen het Caucasische, ontwikkelde ras, dat een groot deel van Britsch-Indië bewoont,
niggers noemt is ons onbegrijpelijk.

(De suggestie wekken dat niet-Caucasische rassen minder ontwikkeld zijn, is blijkbaar wél begrijpelijk.) Het is daarom onjuist om Nederland als overheerser te zien:

In streken, sedert lang onder ons geregeld bestuur, past het denkbeeld niet meer van overheerschers en overheerschten, van onderdrukkers en onderdrukten. Daar moet het bestuur, wil het tegen alle schokken bestand zijn, zijn steunpunt, kracht en rechtvaardiging weten te vinden onder het volk zelf, en waardeering, toegenegenheid wekken.

Een mooi staaltje negentiende-eeuwse zelf-deceptie!

  • Print
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Bookmarks
  • PDF