edwinvanlacum.nl

Kien op Keynes

5 oktober 2011 door Edwin van Lacum

Disclaimer: Ik ben geen econoom. Ik heb geen verstand van economie (dat geldt overigens ook voor de meeste economen, vermoed ik). Het enige wat ik mij kan herinneren van de lessen economie op de middelbare school is dat ze onvoorstelbaar saai waren. Zelfs het terugdenken aan deze lessen maakt me slaperig. De kans is dus groot dat onderstaand verhaal honderd procent incorrect is.

In The New Yorker van deze week stond een interessant stuk (helaas niet online beschikbaar) van John Cassidy over een van de meest invloedrijke economen aller tijden: John Maynard Keynes (1883-1946). Keynes is de grondlegger van het keynesianisme. Kort gezegd houdt dat in dat de overheid de hand op de knip moet houden als de economie floreert. Gaat het slecht met de economie, dan moet de overheid juist het omgekeerde gaan doen: geld uitgeven dus. Dat kan door bijvoorbeeld te investeren in infrastructurele projecten: wegen, ziekenhuizen, woningbouw, etcetera. Op die manier wordt de economie gestimuleerd om weer te groeien.

Keynesianisme is een mooie theorie die lastig in de praktijk te brengen is. Politici hebben namelijk de neiging om precies het omgekeerde te doen: geld uitgeven als het goed gaat, en bezuinigen als het slecht gaat. Ook ons huidige kabinet maakt zich hier schuldig aan. Het is de vraag of dit verstandig is. Neem onze zuiderburen. België is op dit moment een van de weinig landen in Europa waar de economie groeit. Volgens John Lanchester (heten ze allemaal John?) in de London Review of Books komt dat omdat België geen regering heeft:

Thanks to political stalemate in Brussels, it hasn’t had [a government] for 15 months. No government means none of the stuff all the other governments are doing: no cuts and no ‘austerity’ packages. In the absence of anyone with a mandate to slash and burn, Belgian public sector spending is puttering along much as it always was; hence the continuing growth of their economy. It turns out that from the economic point of view, in the current crisis, no government is better than any government – any existing government.

Ondanks dit soort aanwijzingen steggelen economen nog steeds over de vraag in hoeverre de theorie van Keynes correct is. Mocht dat echter het geval zijn, dan pakken we de Europese schuldencrisis compleet verkeerd aan. Omdat de Grieken gedwongen worden om fikse bezuinigingen door te voeren, zal het herstel van hun economie extra lang duren. Daardoor wordt de kans dat ze ooit hun torenhoge schulden gaan afbetalen heel erg klein. Cassidy verwoordt het als volgt:

Today, [Keynes] would be advocating major debt write-downs for countries like Greece and Portugal. The so-called “rescue packages” that these nations have received in recent years have barely reduced their debt, while the austerity policies imposed on them have plunged their economies deeper into the abyss, exactly as Keynesian theory would predict.

Kortom, het ziet er niet goed uit. Stort straks het hele economische kaartenhuis ineen? Verschijnen er straks weer gaarkeukens? Eten we de komende jaren alleen nog maar waterige soep op basis van rotte kool? Nou ja, het zal vast wel wennen. Zoals Keynes ooit schreef: “The power to become habituated to his surroundings is a marked characteristic of mankind.” Laten we het hopen.

Gepost in Geen categorie | Reacties uitgeschakeld

Niet luisteren naar muziek

7 juni 2011 door Edwin van Lacum

Een van de twintig miljoen dingen waar ik me voor schaam is het feit dat ik zo snel afgeleid wordt als ik naar muziek luister. Het is me al vaak overkomen. Een orkest speelt de meest sublieme muziek en ik denk aan de boodschappen die ik de volgende dag moet doen. Een sopraan zingt bijna met tranen in haar ogen over haar ongelukkige liefdesleven en ik zit me af te vragen of het buiten nog regent.

Maar – en dat troost me een klein beetje – ik ben niet de enige die hier last van heeft. In zijn essay Not Listening to Music vertelt E.M. Forster – heeft er ooit een aardiger mens geademd? – hoe moeilijk hij het vindt om geconcentreerd naar muziek te luisteren. Ook hij wordt constant afgeleid. Door de kin van een sopraan, de achterkant van de stoelen of de lelijkheid van het publiek. Over dat laatste schrijft hij:

“A classical audience is surely the plainest collection of people anywhere assembled for any common purpose; contributing my quota, I have the right to point this out. Compare us with a gang of navvies [spoorwegarbeiders] or with an office staff, and you will be appalled. This, too, distracts me.”

Sommige dingen veranderen nooit.

Als Forster (die overigens door de componist Benjamin Britten getypeerd is als de meest muzikale schrijver die hij kende) wel met onverdeelde aandacht luistert, hoort hij twee soorten muziek. Of hij hoort ‘muziek die me ergens aan herinnert’ of ‘alleen muziek’. Muziek uit de eerste categorie is muziek die bepaalde beelden of gedachten bij hem weet op te roepen. Als hij bijvoorbeeld naar Debussy luistert, moet hij aan Monet denken (en vice versa). Forster constateert vervolgens dat dit gevaarlijk is: muziek die ons ergens aan herinnert, leidt per definitie af. Denken aan Monet verschilt niet heel erg veel van denken aan de kin van een sopraan. Daarom geeft hij de voorkeur aan ‘muziek alleen’: de muziek die onbesmet is met associaties.

Ik heb dan ook het vermoeden dat Forster zich enigszins geërgerd zou hebben aan het gebruik van muziek in reclames, TV-programma’s en films. Bijna dagelijks worden we via deze media geconfronteerd met nieuwe combinaties van muziek en beelden. En dat heeft eigenaardige gevolgen. Zo moet ik bijvoorbeeld altijd denken aan verongelukte meisjes als ik Het Bloemenduet uit Delibes’ opera Lakmé hoor (dankzij deze reclamespot). En als ik de aria Der Hölle Rache uit Die Zauberflöte hoor zie ik vrouwen voor me die een orgasme lijken te bereiken (dankzij deze reclamespot). En wie moet er dankzij Apocalypse Now niet denken aan legerhelicopters als Der Walkürenritt van Wagner afgespeeld wordt?

Dit fenomeen leidt er niet alleen maar toe dat we sommige muziek ongewild gaan associëren met bepaalde beelden; het kan er ook voor zorgen – en dat is misschien veel erger – dat we veelgebruikte muziek clichématig en afgezaagd gaan vinden. In een ander essay, The Raison d’Être of Criticism in the Arts, schrijft Forster dat we in dat geval nooit de schuld aan de muziek moeten geven. Als muziek clichématig en afgezaagd klinkt, ligt dat aan ons. Wij hebben in dat geval verzaakt om met een fris gehoor te luisteren: “…the objects themselves are eternally new, it is the recipient who may wither.” Muziek kan niet ouder worden en verpieteren. Net als Sint Cecilia, beschermheilige van de muzikanten, blijft zij een eeuwige maagd.

Gepost in Geen categorie | Reacties uitgeschakeld

Leven in de breedte

1 mei 2011 door Edwin van Lacum
In de romancyclus De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden poogt de hoofdpersoon, Albert Egberts, onsterfelijk worden door te “leven in de breedte”. Door met zijn geest op zoveel mogelijk plaatsen tegelijk te zijn, wil Albert elk moment oneindig lang laten duren: leven terwijl de klok stilstaat. Door te leven in de breedte verliest de tijd haar dreiging; ze wordt tandeloos. Zo omschrijft Van der Heijden het zelf in De slag om de Blauwbrug:

Want er was een duizelingwekkend bestaan mogelijk-niet in ‘in de lengte’, zoals we het gewend waren, maar in de breedte, waar alles sneller verliep, meer in beweging was, geen aardse tijd verloren ging: waar alle gebeurtenissen zich gelijktijdig afspeelden, in plaats van elkaar tijdrovend op te volgen…

Ergens in De tandeloze tijd probeert Albert Egberts dit principe in de praktijk te brengen door in een café een groot aantal glazen jenever te bestellen en die vervolgens niet op te drinken. Vraag me niet waarom dit een voorbeeld is van leven in de breedte. Misschien omdat als je de jenever op zou drinken, je toe zou geven aan leven in de lengte? In het boek (ik ben helaas vergeten welk deel) wordt het ongetwijfeld met welluidende en barokke zinnen uitgelegd.

Ik weet wel dat ik in VWO6 (het kan ook VWO5 geweest zijn) geprobeerd heb om samen met een vriend – ook een lezer van De tandeloze tijd –  dit experiment te herhalen tijdens een avondje uit. Jenever was te duur, dus vandaar dat we kozen voor bier. Maar goed, dat maakte vast niet uit voor het welslagen van het experiment. Optimistisch begonnen we met onze poging om de tijd tandeloos te maken. Al snel hadden we een dienblad vol met dode, onaangeroerde biertjes verzameld. Extatisch keken we elkaar aan. We leefden in de breedte! Deze avond zou eeuwig duren! We waren onsterfelijk!

Uiteraard was het moeilijk om uit te leggen wat we aan het doen waren aan mensen die minder geschoold waren in het oeuvre van A.F.Th.

“Waarom drinken jullie je bier niet op,” vroeg iemand.

“Wij leven in de breedte,” antwoordde ik nuffig. “Op deze manier proberen we onsterfelijk te worden.”

Het mag een wonder heten dat ik toen niet op de grond geslagen werd. Achteraf gezien zou ik zo’n reactie best begrepen hebben. Ik verdiende het.

Het mag, denk ik, geen wonder heten dat ons experiment jammerlijk faalde. Het was ons in de verste verte niet gelukt om de tijd stil te zetten of zelfs maar te vertragen, constateerden we aan het einde van de avond. Samen met wat anderen dronken we snel de dode biertjes op. We hadden in de lengte geleefd, en niet in de breedte. Onverbiddelijk was de tijd voorwaarts geraasd. Nou ja, het was Albert Egberts uiteindelijk ook niet gelukt om te leven in de breedte. Dat troostte ons.

Ik moest aan deze episode denken toen ik in The New Yorker een interview las met David Eagleman, een neurowetenschapper die zich bezig houdt met de vraag hoe onze hersenen omgaan met tijd. Een klein fragment:

“Time is this rubbery thing,” Eagleman said. “It stretches out when you really turn your brain resources on, and when you say, ‘Oh, I got this, everything is as expected,’ it shrinks up.” The best example of this is the so-called oddball effect—an optical illusion that Eagleman had shown me in his lab. It consisted of a series of simple images flashing on a computer screen. Most of the time, the same picture was repeated again and again: a plain brown shoe. But every so often a flower would appear instead. To my mind, the change was a matter of timing as well as of content: the flower would stay onscreen much longer than the shoe. But Eagleman insisted that all the pictures appeared for the same length of time. The only difference was the degree of attention that I paid to them. The shoe, by its third or fourth appearance, barely made an impression. The flower, more rare, lingered and blossomed, like those childhood summers.

Tijd rekt dus uit als je hersenen zich aan het inspannen zijn. Is dit een soort van leven in de breedte? En kunnen we de tijd misschien onbeperkt oprekken als we ons omringen met bloemen in plaats van bruine schoenen? Had Albert Egberts al die jaren gelijk?

De hoogste tijd om de afwas te doen.

Gepost in Geen categorie | Reacties uitgeschakeld

De oude dictator

12 februari 2011 door Edwin van Lacum

De oude dictator zat in zijn eentje aan de ontbijttafel. Hij had zich niet geschoren en zijn kamerjas hing half open. Het was vroeg. Heel vroeg. Normaal gesproken zou hij op dit tijdstip al druk in de weer zijn met het maken van wetten, het beperken van de persvrijheid en het manipuleren van verkiezingen. Maar dat was allemaal voorbij. “Voorgoed voorbij,” fluisterde hij zachtjes – alsof hij hoopte dat daardoor de pijn minder zou worden.

Was dit dan het beruchte zwarte gat?

Hij bedacht zich dat zijn vrouw heel anders op de hele situatie gereageerd had. Zij was in de wolken met zijn aftreden. Hij had haar in jaren niet zo vrolijk gezien. “Denk je eens in wat we nu allemaal kunnen doen,” had ze gezegd. “Romantische weekendjes in Parijs, een cruise naar Guadeloupe, dagtochtjes… Wil je wel geloven dat ik nog nooit de piramides heb bezocht? Het lijkt me enig om daar eens naar toe te gaan.”

Mismoedig had de oude dictator gezegd dat hij zich daar ook erg op verheugde. In werkelijkheid leek niets hem erger dan tijd door te brengen met zijn vrouw. Hij ging nog liever met twee biefstukken onder zijn oksels tussen de krokodillen van de Nijl zwemmen. God, wat haatte hij zijn vrouw. Alles aan haar wekte zijn walging op. Haar eindeloze en nietszeggende geklets, haar snorharen, haar belachelijke kleding, haar literaire smaak, haar geur… alles! Zij was de reden waarom hij niet wilde stoppen met zijn werk.

Waarom had hij niet wat meer ruggengraat? Waarom was hij zo’n slappe zak? Hij dacht aan zijn collega uit Libië, die zonder enige gewetenswroeging een hele harem aan Oekraïense verpleegsters om zich heen had verzameld. Waarom had hij dat niet gedaan?

Hij keek naar het onaangeroerde croissantje dat voor hem op tafel lag. In zijn ogen welden tranen op.

Maar vlak voordat de oude dictator zich in een afgrond van zelfmedelijden wilde storten, kreeg hij een idee. Opeens wist hij wat hem te doen stond. Waarom zou hij gaan stoppen met werken? Waarom zou hij zich moeten schikken in zijn lot? Hij had nog wat spaargeld op een Zwitserse bankrekening staan. Het was een klein bedrag – niet veel meer dan zeventig miljard dollar – maar wellicht was het genoeg om er een klein land mee te kopen.

Vastberaden knoopte hij zijn kamerjas dicht. Hij was meteen een stuk vrolijker.

Ja, hij ging een land kopen! En dan zou alles weer normaal worden. Hij zou weer meetellen in de wereld. Maar wat voor land moest hij kopen? Amerika? Nee, te duur. Japan? Nee, te ver weg. Toen herinnerde hij zich dat ze in België grote financiële problemen hadden. Bovendien was er in dat land niet eens een regering. Ja, België leek hem wel wat. Hij zou vanmiddag gelijk wat telefoontjes plegen. Misschien viel er wat te regelen.

Hij wist niet waarom, maar plotseling moest hij denken aan Aboe Simbel: een oude tempel die onder water dreigde te verdwijnen toen in de jaren zestig de Aswandam gebouwd werd. Vervolgens is het hele complex in stukken gezaagd en verplaatst naar een hoger gelegen lokatie. En nu lijkt het net of die trotse, fiere tempel daar altijd al heeft gestaan. Alsof het water nooit een bedreiging is geweest.

Heel even moest de oude dictator glimlachen.

Gepost in Geen categorie | Reacties uitgeschakeld

The golden age of cinema

15 december 2010 door Edwin van Lacum

De jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw waren niet alleen maar decennia van fascisme, oorlog, holocaust en waanzin. Diezelfde periode wordt namelijk ook regelmatig gekenschetst als the golden age of cinema. Jazeker, the golden age of cinema viel samen met the golden age of destruction. Noem je zoiets ironie? Of kent elke tijdsbenaming een wat meer lichtvoetige pendant? Is de geschiedenis nog het beste te omschrijven als een soort manicheïstische mengeling van licht en duisternis? Is…

Ahem. Ik draaf door. Terug naar the golden age of cinema.

We kunnen het ons bijna niet meer voorstellen, maar film was in die tijd een belangrijk medium. De TV was er nog niet, en krant en radio waren (toen al!) sleets en saai. Hoe anders dan film! Film was hip. Film was modern. Film inspireerde, zette de toon, gaf hoop. Jonge, snelle schrijvers als F. Scott Fitzgerald schreven boeken over de filmindustrie. Hollywood sloeg de maat. Film was het snel kloppende hart van de moderne beschaving. Dat uitte zich onder andere in de bezoekersaantallen van bioscopen. Mensen gingen letterlijk in drommen naar de cinema. In duistere filmzaaltjes ontstonden vriendschappen en bloeiden romances op. Hoeveel stelletjes hebben niet voor het eerst gezoend met het geluid van een ratelende filmprojector op de achtergrond?

En dan de sterren! Sterren waren in de jaren dertig en veertig nog echte sterren, en niet – zoals nu – twitterende zielenpieten die wel heel nadrukkelijk laten blijken dat ze ook maar gewone mensen zijn. De grote acteurs en actrices uit die tijd – Humphrey Bogart, Greta Garbo, Clark Gable en Bette Davis, etc. – hadden iets geheimzinnigs over zich. Ze waren afstandelijk, ongrijpbaar, mysterieus. Als etherische wezens fladderden ze rond in ons collectieve culturele bewustzijn.

De grote afstand die bestond tussen de sterren en het publiek werd angstvallig in stand gehouden door de studio’s. Want wat zou er overblijven van het magische aureool van sterren als hun intieme geheimen in de openbaarheid terecht zouden komen? De studio’s stelden daarom alles in het werk om hun acteurs en actrices af te schermen van de nieuwsgierige buitenwereld. Alle publiciteit werd zorgvuldig geregisseerd. De sterren zelf hadden hier weinig over in te brengen. Sowieso hadden sterren weinig in te brengen. Bijna alle grote acteurs en actrices (net als regisseurs en scenarioschrijvers) stonden namelijk onder contract bij een studio. Freelancen was geen optie. De filmstudio’s hadden daardoor veel meer macht dan nu. Zij bepaalden bijvoorbeeld in welke films de sterren moesten spelen. Typerend voor de manier waarop tegen acteurs werd aangekeken, is de opmerking van studiobaas Richard Rowland toen Charlie Chaplin in 1919 samen met een aantal andere collega’s een eigen studio oprichtte: “De krankzinnigen nemen het gesticht over.”

De constructie waarbij sterren min of meer het eigendom waren van studio’s, ook wel het “star system” genoemd, kwam uit de koker van Louis B. Mayer, een van de grondleggers van filmstudio Metro-Goldwyn-Mayer Inc. (MGM). (MGM was de studio die altijd elke film begon met een brullende leeuw.) Mayer – net als veel andere studiobazen – stond bekend als een keiharde despoot die met ijzeren hand zijn studio leidde. Samuel Goldwyn, de andere grondlegger van MGM, schijnt na zijn overlijden het volgende over hem gezegd te hebben: “De reden waarom zoveel mensen aanwezig waren bij zijn begrafenis is dat ze zeker wilden weten dat hij dood was.” Mayer was degene die actrice Judy Garland aanspoorde om ten faveure van haar carrière een kind te laten aborteren (wat ze ook daadwerkelijk gedaan heeft) en van de homoseksuele acteur Ramón Novarro eiste dat hij met een vrouw zou trouwen (wat hij weigerde – het was het einde van zijn carrière als filmster).

Helaas was the golden age of cinema maar van tijdelijke aard. In de jaren vijftig begon Hollywood zijn macht te verliezen. Dat had een aantal redenen. De televisie maakte zijn onstuitbare (en – volgens sommigen – stuitende) opmars. Bovendien wisten de grote filmstudio’s zich niet voldoende te vernieuwen. De film ging een marginaal bestaan leiden. Wat overbleef waren ontelbare stoffige filmblikken, wier inhoud grotendeels op DVD is blijven voortbestaan.

Gelukkig maar. Dat geeft mij de kans om nog eens te genieten van de frigide en heerlijk krankzinnige Mrs. Danvers uit Rebbeca of de megalomane Charles Foster Kane uit Citizen Kane. Ik kan ontelbaar vaak – en in Technicolor-kleuren – het tragische levensverhaal van Scarlett O’Hara (gespeeld door Vivian Leigh) in Gone with the wind aanschouwen. Zonder enige moeite kan ik weer Now, Voyager opzetten om te zien hoe Charlotte Vale (Bette Davis), begeleid door een contingent smachtende violen, uitroept: “Oh, Jerry, don’t let’s ask for the moon. We have the stars.

Snif.

Natuurlijk zijn de films uit die periode niet allemaal even perfect. Verhaallijnen zijn vaak te melodramatisch, dialogen komen niet zelden houterig over en het tempo is af en toe slaapverwekkend saai. Ook de algehele braafheid staat me soms tegen. Van 1930 tot 1968 kende Hollywood namelijk de Motion Picture Production Code: een verzameling richtlijnen die voorschreven wat allemaal wel en niet in films weergegeven mocht worden. Zo was elke verwijzing naar seks, hoe onschuldig ook, taboe. Het was bijvoorbeeld verboden om een echtpaar te laten zien dat in hetzelfde bed sliep; de echtelijke slaapkamer mocht alleen in beeld gebracht worden als er twee aparte eenpersoonsbedden in stonden. Meer dan een kuise kus op de wang zat er in die tijd niet in.

Maar ondanks deze beperkingen verkies ik te allen tijde een oude zwart-witfilm uit de jaren dertig of veertig boven een of ander modern, zielloos CGI-spektakel met “deel 2″, “deel 3″ of “deel 47″ in de titel. Wat overigens niet wil zeggen dat er tegenwoordig geen goede films meer gemaakt worden. Dat soort reactionaire onzin zul je mij niet horen zeggen. De filmindustrie heeft de afgelopen jaren genoeg mooie titels afgeleverd: Das Leben der Anderen, There Will Be Blood, A Single Man - noem ze allemaal maar op. Maar op de een of andere manier is de filmsector niet meer de plek waar de interessante dingen gebeuren.

Nee, als je wilt genieten van hoogwaardig drama of amusement kun je tegenwoordig beter je heil zoeken bij de televisie. Amerikaanse zenders (met HBO voorop) hebben de afgelopen tijd de meest prachtige series de buis op geslingerd: Six Feet Under, Breaking Bad, Mad Men, The Wire, Dexter, True Blood, Generation Kill, etc. Series met complexe, gelaagde verhaallijnen, briljant acteerwerk en scherpe, intelligente dialogen. Kom daar nog ‘ns om in de bioscoop. Niet voor niets wordt het afgelopen decennium ook wel the golden age of television drama genoemd.

Vorige maand werd bekend dat MGM faillissement had aangevraagd. De filmstudio, ooit de grote trots van Louis B. Mayer, leidde de laatste jaren een kwakkelend bestaan en kan hopelijk op deze manier een doorstart maken. Eigenlijk een treurige bedoening. Het mag duidelijk zijn: The golden age of cinema is al heel lang voorbij.

Gepost in Geen categorie | Reacties uitgeschakeld

« Vorige berichten

Over mij

Edwin van Lacum (1981) is schrijver, ex-student, theatermaker en wetenschapscommunicator. Wil je mailen? Dat kan! Mijn mailadres is edwin@edwinvanlacum.nl.

Links

Tweets

- Twitter Goodies - Profile

Archief

RSS-feed