“Je kan het haast niet bevatten.”
Wetenschapsmusea in Nederland: een impressie

Door Edwin van Lacum

We kennen allemaal het Rijksmuseum en het Van Gogh Museum. Minder bekend zijn de vele wetenschapsmusea die Nederland rijk is. Hoog tijd om eens een aantal van deze musea te bezoeken.

Het lijkt alsof we in de entree van een tropisch zwemparadijs staan. Er klinkt galmend kindergeschreeuw in de verte. Alleen de chloorlucht en het geluid van spetterend water lijken te ontbreken. Maar dit is Nemo, volgens de website “een educatieve attractie waar je op speelse wijze kennismaakt met een wereld vol wetenschap en technologie.”

We lopen naar de tentoonstellingsruimte. Nemo blijkt een groot uitgevallen experimenteerdoos te zijn, gevuld met allerlei apparaten die als doel hebben natuurkundige, biologische en scheikundige fenomenen uit te leggen. Zo wordt bijvoorbeeld onweer uitgelegd via een machine met een grote draaischijf. Als je deze draaischijf beweegt, ontstaat er na verloop van tijd een kleine bliksemschicht. Bij elk apparaat staat een bordje met een leerzame toelichting. Bijna niemand neemt de moeite om deze bordjes te lezen.

Er rennen in Nemo een heleboel kinderen rond. Als vlindertjes fladderen ze van het ene object naar het andere. Ongeduldig drukken ze op knopjes en trekken ze aan hendels, en als het apparaat niet werkt of geen spectaculaire dingen doet, lopen ze snel weer verder.

We stappen een soort cilindervormige lift binnen die je zelf via een ingenieus mechanisme moet aandrijven. Makkelijk gaat dat niet en we komen maar een paar centimeter omhoog. Opeens klopt er een klein meisje met lang blond haar op de doorzichtige liftdeur. Ze maakt onduidelijke gebaren die vermoedelijk als doel hebben ons eruit te jagen.

We besluiten het meisje haar zin te geven en lopen uit de lift. Het meisje loopt, zonder ons een blik waardig te gunnen, naar binnen. Ik kijk nog even om en zie tot mijn grote opluchting dat het kleine kreng er ook niet in slaagt om de lift omhoog te krijgen.

We lopen naar de uitgang. Mijn laatste blik valt op een stel jongetjes die met een soort hoepel gigantische zeepbellen aan het blazen zijn.

Hoe toepasselijk.

Onze tocht door Teylers begint met een rondleiding van een meisjesachtige mevrouw - of een mevrouwachtig meisje - die een beetje geaffecteerd praat. Ze vertelt dat de gemiddelde Teylers-bezoeker een leeftijd heeft van 40 à 50 jaar. Ze vertelt ook hoe moeilijk het is om een museum waar je bijna niks aan mag raken voor kinderen interessant te maken. Toch wil ze proberen meer kinderen in het museum te krijgen. Ik denk aan Nemo en hoop stiekem dat deze kinderlokster nooit in haar plannen slaagt.

Ik verbaas me erover hoe belangrijk het is voor dit soort mensen om jong publiek te trekken. Waar komt deze museale pedofilie toch vandaan? Musea - net als bordelen en concerten van Rammstein - horen bij de volwassenwereld en kinderen hebben daar, als het aan mij ligt, niks te zoeken. Laat die kids toch lekker boomhutten bouwen en touwtjespringen, maar val ze niet lastig met wetenschappelijk geneuzel of duffe objecten uit een ver verleden. En de enkelen die dit toch interessant vinden, bezoeken uit zichzelf wel een museum.

De mevrouw blijft maar doorpraten. Ook stellen mensen haar vragen. Ik word ongeduldig, want ik wil graag naar de Boudewijn Büch-tentoonstelling. Teylers - het favoriete museum van Büch - mocht namelijk 100 objecten uit zijn nalatenschap uitzoeken en tentoonstellen. Ik ben hier erg nieuwsgierig naar. Gelukkig is op een gegeven moment de mevrouw uitgepraat en stellen mensen ook geen vragen meer. We lopen gelijk naar het Büch-gedeelte.

In een zaal van bescheiden afmetingen liggen de topstukken uit Büchs verzameling keurig uitgestald in liggende vitrinekasten. Er zijn uiteraard boeken aanwezig over dodo's, Goethe en vlinders. Ook is er een dodobotje te zien dat eigenlijk een schildpaddenbotje is. Er hangen aan de muren ook grote foto's van Büch waarop hij te zien is met zijn verzameling. Hij kijkt er niet echt vrolijk bij.

En opeens besef ik wat deze tentoonstelling mist: Boudewijn Büch zelf. Zonder hem erbij willen de objecten jammer genoeg niet echt tot leven komen. De verzameling is in de afwezigheid van Büch tot een betekenisloze en zielloze hoop curiosa verworden.

Twee vrouwen van middelbare leeftijd en met roodgeverfd haar lopen ook door de ruimte. Ze vinden het erg indrukwekkend.

“Je kan het haast niet bevatten, hè?” zegt de een.

“Dat hoeft ook niet” is het geruststellende antwoord van de ander.

En ze ploffen neer op een bank om naar een fragment uit het reisprogramma van Büch te kijken.

We lopen door de rest van Teylers en bewonderen de prachtige oude zalen, de neoklassieke architectuur en de indrukwekkende collectie. Niet alleen worden er natuurhistorische zaken als fossielen en mineralen tentoongesteld, ook heeft het museum twee zalen vol met schilderijen - van o.a. Maris, Mesdag en Breitner. Deze zijn echter op een volstrekt willekeurige manier opgehangen. Het zou voor de hand liggen om ze op een meer logische manier op te hangen maar blijkbaar wil het museum de zalen in hun oorspronkelijke staat behouden.

En dat is ook gelijk het mooie van Teylers: het is een museum in een museum. Sommige gedeeltes zijn nog precies zoals het pakweg honderd jaar geleden was. Als je in de fossielenruimte loopt en je ogen halfdicht doet kun je de mannen en vrouwen zien die zich toendertijd op zondagmiddag verbaasden over de wonderen der natuur. En misschien zie je ze zelfs stilstaan bij een vitrine, en hoor je ze fluisterend praten over spiritisme, elektriciteit en de oorsprong van de mens.

Waarom zijn er niet meer van dit soort musea?

Ook het bezoek aan het natuurmuseum Naturalis begint met een rondleiding. De rondleider - die de achterneef van Maarten 't Hart zou kunnen zijn - verwelkomt ons bij de entree. Hij heeft een badge, die onhandig is vastgemaakt aan zijn overhemd.

Na een korte introductie lopen we naar de tentoonstellingsruimte. Het valt me op dat er heel veel mensen in Naturalis een badge dragen. Ik voel me als badge-loze bezoeker bijna een minderheid.

Naturalis blijkt een erg modern museum te zijn met steriele, stofvrije en doorzichtige tentoonstellingsruimtes. Een groter verschil met Teylers is haast niet mogelijk. De achterneef van Maarten 't Hart begint ondertussen allerlei dingen te vertellen over het museum. Zo weet hij ons te melden dat het zeer lastig was om opgezette dieren te vinden die in een natuurlijke houding staan. Deze hebben ze daarom speciaal laten maken. Toch zijn niet alle dieren in het museum opgezet. Er staat bijvoorbeeld een grote grijze olifant die van kunststof blijkt te zijn. De rondleider vertelt dat de haren van deze olifant wel echt zijn en handmatig zijn geïmplanteerd.

De rondleiding is voorbij en we lopen langs het skelet van een mammoet, de opgezette dieren en de tentoonstellingen over biotechnologie en energie. Ook is er een apart kinderhoekje met knuffels die kunnen praten. Kortom, er is genoeg te zien in Naturalis. Maar echt boeien kan het me niet.

Ik blijf stilstaan bij de centrale tentoonstelling over de geschiedenis van het leven op aarde, waarbij allerlei verschillende organismen zijn gegroepeerd rond een evolutionaire stamboom. Opeens moet ik denken aan een essay - The Evolution of Life on Earth - van Stephen Jay Gould. Volgens professor Gould suggereert een evolutionaire stamboom dat evolutie een overzichtelijk en gedetermineerd proces is. Maar dit is een bedrieglijke simplificatie: de geschiedenis bevat namelijk een extreme gevoeligheid voor kleine en onmeetbare verschillen in startcondities. Evolutie is dus een chaotisch proces, waarbij toeval een grote rol speelt. En dit is precies de visie die ik bij Naturalis mis. Door hun obsessie met het presenteren van een overzichtelijke stamboom gaan ze jammerlijk voorbij aan de complexiteit van evolutionaire processen.

En dit is niet het enige manco van Naturalis. Hun poging om opgezette dieren op een zogenaamd 'natuurlijke' manier weer te geven is ronduit eng te noemen: alsof de mens heer en meester is over een beheersbare natuur.

Want hoe futuristisch en gelikt het museum er ook uitziet, in wezen hebben ze nog dezelfde 19e eeuwse opvatting over de natuur als Teylers. Bij Teylers is dit misplaatste superioriteitsgevoel nog aandoenlijk - ach, ze wisten toen niet beter - bij Naturalis wordt het onvergeeflijk.

Ik ben moe. Na drie musea ben ik nauwelijks meer in staat om nogmaals monter een tentoonstellingsruimte te bezoeken.

Eigenlijk is dat best jammer want ik vind Boerhaave (Rijksmuseum voor de Geschiedenis van de Natuurwetenschappen en van de Geneeskunde) een mooi museum. Het gebouw is een interessante combinatie van oudbouw en nieuwbouw, de collectie bevat een paar boeiende objecten en het is er lekker rustig.

Ook is er een aardige tentoonstelling (“Teringzooi”) over enge ziektes als de tering, pest en cholera. Er zijn vooral veel wasafdrukken van - soms intieme - lichaamsdelen met zweren, puisten of pokken te zien. Deze werden vroeger gebruikt om artsen op te leiden. Tegenwoordig moeten mensen er toch eigenlijk vooral om gniffelen.

Voor de rest laat ik alles maar een beetje aan me voorbij gaan. Het enige waar ik nog even wat langer blijf stilstaan zijn de modellen van de arts Auzoux. Deze Franse knutselaar ontdekte dat je met papier-maché - naast het versieren van carnavalwagens - ook menselijke modellen kon maken. En het resultaat mag er wezen. Chapeau, monsieur Auzoux!

Ik loop het gebouw uit en neem me voor snel een keer terug te komen.