Essay: Van Thales tot Galenus
De geschiedenis van de biologie tijdens de oudheid

Door Edwin van Lacum

De eerste filosoof en natuurwetenschapper was de Griek Thales (ca. 580 v. C.). Althans, hij is de eerste wiens ideeën (via via weliswaar) bewaard zijn gebleven. Wie weet hoeveel talentvolle wetenschappers voor hem geleefd hebben? Er zijn ongetwijfeld vele genieën waarvan we het bestaan niet eens kunnen vermoeden omdat ze hun theorieën niet hebben vastgelegd of omdat hun werken spoorloos verdwenen zijn in de onverbiddelijke nevel van de tijd. Zou er geen monument moeten komen voor deze vergeten helden? Een hommage aan 'de onbekende wetenschapper'? Maar dit terzijde.

Thales behoorde tot grondlegger van de Ionische natuurfilosofen. Deze stroming zocht als eerste naar rationele verklaringen -in tegenstelling tot mythes- om natuurverschijnselen te verklaren. Thales kon onder andere -volgens Aristoteles- de oogst voorspellen door naar de sterren te kijken. Kortom, het was eerder een soort Jomanda dan een bioloog. Anaximander (ca. 611-540 v. C.), ook een Ionische natuurfilosoof, had wel interessante biologische ideeën. Hij wordt wel gezien als een evolutionist avant la lettre vanwege zijn theorie dat de mens vroeger 'ontstaan is als een vis'. Hoewel hij de schrijver was van het eerste Griekse proza (De Natuur), zijn er maar weinig werken van hem bewaard gebleven. Het is daarom lastig vast te stellen wat hij werkelijk bedoelde met zijn uitspraken.

Van de ontstaanstheorie van Anaximander is het maar een kleine stap naar Xenophanes (leefde rond 500 v. C.). Deze dichter en leraar behoorde tot de zogenaamde eleaten (zo genoemd omdat deze stroming in Elea, Zuid-Italië tot ontwikkeling kwam). Hij was een van de eersten die fossielen bestudeerde en concludeerde daaruit dat de aarde ooit helemaal omgeven is geweest met water. Hij schijnt ook een gedicht getiteld De Natuur te hebben geschreven. Blijkbaar had het verzinnen van originele titels geen prioriteit in de oudheid, aangezien bijna alle filosofen uit die tijd wel iets geschreven hebben dat De Natuur heet.

De filosofische ideeën van de eleaten - vooral ontwikkeld door Parminedes (geboren ca. 540 v. C.) - kwamen er in het kort op neer dat er geen verandering mogelijk is. Dit botste nogal met het gedachtegoed van de Ionische natuurfilosofen, die juist beweerden dat er alleen maar eeuwige verandering is. Empedocles (ca. 494-434 v. C.), behorende tot de 'jongere natuurfilosofen', probeerde die twee tegengestelde stromingen met elkaar te verenigen. Dit deed hij door onveranderlijke oerstoffen (vuur, lucht, aarde en water) voor te stellen die voor verandering zorgen wanneer de verhoudingen van deze substanties verschillen. Een aardig detail over Empedocles is zijn nogal gewaagde kledingstijl. Hij droeg het liefst een paars gewaad, een lauwerkrans en, om het af te maken, bronzen sandalen. Kom daar nog 'ns om bij de wetenschappers van tegenwoordig!

De Grieken hebben heel wat uitvindingen op hun naam staan, zo ook de geneeskunde (die ik voor het gemak tot de biologie reken). De grootste Griekse arts is natuurlijk Hippocrates (ca. 460-na 380 v. C.). Deze wetenschappelijk ingestelde medicus was een groot observator en had, sowieso heel bijzonder voor een arts, een grote belangstelling voor zijn patiënten. Zijn denkbeelden en observaties zijn vastgelegd in het Corpus Hippocraticum.

Een andere Griekse gigant was Plato (ca. 429-349 v. C.). Deze leerling van Socrates is een van de meest invloedrijke denkers in de geschiedenis van de filosofie. Plato's bijdrage aan de biologie behelst vooral zijn theorie over de ideeënwereld en de aardse wereld. Alles in de natuur is volgens deze theorie een afspiegeling van een eeuwig, onveranderlijk en perfect idee. De wereld waarin we leven is dus maar schijn, een slechte kopie van iets mooiers. Toch heeft onze ziel in een vorig bestaan kennis gemaakt met de ideeënwereld en daarom is alle ware kennis niets meer en niets minder dan een vage herinnering.

Aristoteles (384-322 v. C.) was een enthousiaste leerling van Plato en heeft twintig jaar lang (!) colleges van 'm gehad. Zijn geschriften hebben grote invloed gehad op het wereldbeeld van latere generaties. Aristoteles was een veelzijdig mens en hield zich niet alleen bezig met alle toenmalige vakgebieden van de wetenschap maar ook met allerlei esoterisch gebabbel over de onsterfelijkheid van de ziel. Op het gebied van de biologie is zijn dierkundige werk vooral belangwekkend geweest. Hij bedacht een interessant classificatiesysteem waarmee hij probeerde het dierenrijk systematisch onder te verdelen. Dit deed hij door bijvoorbeeld onderscheid te maken tussen dieren zonder bloed en dieren met bloed. Ook had Aristoteles interessante ideeën over man-vrouw verhoudingen. De vrouw was volgens hem een inferieur, dom wezen en het is daarom niet meer dan terecht dat de man de baas over haar is. Nee, Aristoteles had niet hoog gescoord als hij langs de feministische meetlat was gelegd.

En toen kwam er opeens dat Romeinse rijk. Het is opvallend hoe weinig grote namen op het gebied van de wetenschap/filosofie er tijdens de heerschappij der Romeinen zijn voortgebracht. Toch wil ik twee mensen noemen die belangwekkend biologisch werk gedaan hebben: Plinius en Galenus.

Plinius de Oudere (23-79 na C.) was een Romeinse schrijver die bekendheid verwierf met zijn Naturalis historia. In dit encyclopedische werk van 37 delen beschrijft hij allerhande weetjes over o.a. botanie, dierkunde, landbouw, geografie en geneeskunde. Jammer alleen dat hij zijn informatie vooral vandaan heeft gehaald bij volksverhalen en bijgeloof. Maar ja, goede verhalen moet je niet kapot checken zal Plinius wel gedacht hebben; zijn Naturalis is daarom een bonte verzameling van dubieuze feiten geworden.

De anatomische opvattingen van Galenus (ca. 130-200 na C.) waren tot de zestiende eeuw onbetwistbaar. Die reputatie is tamelijk vreemd als je bedenkt dat hij nooit sectie heeft gepleegd op mensen, maar alleen op apen. Deze Griekse arts - die vijf Romeinse keizers heeft gediend - is ook bekend van zijn theorie dat er vier lichaamsvochten zijn (bloed, slijm, zwarte en gele gal) en dat verstoringen in hun verhoudingen tot ziektes leiden. Deze ideeën hebben later natuurlijk gezorgd voor het ontstaan van het aderlaten. Ook heeft de Galenus de ontdekking op zijn naam staan dat er bloed door de aderen stroomt, en geen lucht (zoals sommigen toendertijd dachten).