Geneesmiddelenreclame gericht op consumenten moet toegestaan worden

Erik Frijlink is hoogleraar Farmaceutische Technologie en Biofarmacie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Een interview met hem over medicijnontwikkeling, weesgeneesmiddelen, patenten en de farmaceutische marketing.

door Edwin van Lacum

Hoogleraar Erik Frijlink laat trots een van de nieuwste uitvindingen uit zijn lab zien: drie simpele, doorzichtige stukjes plastic die gecombineerd kunnen worden tot een plat, rechthoekig doosje. 'Het lijkt een soort lego, maar in dit product zit zes jaar ontwikkelingswerk. Elk hoekje is het resultaat van uitgebreid onderzoek.' Het gaat hier om een zogenaamde inhaler - een apparaatje waar je medicijnen mee kan inhaleren - speciaal ontwikkeld voor patiënten met taaislijmziekte. 'Taaislijmpatiënten sterven meestal aan een infectie in de long. Daarom moeten ze uit voorzorg antibiotica in de long binnenkrijgen. De huidige vernevelaars brengen maar negen procent van het antibioticum in de long - de rest verdwijnt in de omgeving en zorgt ervoor dat er resistente bacteriën ontstaan.' Deze bacteriën zullen uiteindelijk een infectie veroorzaken waar de patiënt aan sterft. 'De patiënt overlijdt dus aan de gevolgen van de omgevingsvervuiling door zijn eigen medicatie.' De inhaler van Frijlink (kosten: een paar cent per stuk) heeft twee belangrijke voordelen. 'Ten eerste komt er meer antibioticum in de long. Het tweede voordeel is dat je 'm na gebruik weggooit - en op deze manier kunnen er geen resistente bacteriën ontstaan.' Een geweldige innovatie, vooral omdat de farmaceutische industrie waarschijnlijk nooit een geneesmiddel tegen taaislijmziekte gaat ontwikkelen. 'Daar is de patiëntenpopulatie simpelweg te klein voor.'

Met alleen het geld van de universiteit zou het niet mogelijk geweest zijn dit product te ontwikkelen. 'Alleen al de jaarlijkse reparatie- en onderhoudskosten van de apparatuur op deze afdeling zijn hoger dan het bedrag dat ik van de universiteit krijg.' In plaats daarvan wordt het onderzoek voor het grootste deel gefinancierd door patenten op eerdere uitvindingen van Frijlink. 'Er zijn drie bedrijven die licenties [een exploitatierecht] bezitten op onze uitvindingen. We hebben onder andere een patent op een inhaler voor astmapatiënten die veel beter werkt dan de huidige modellen. Een Duits bedrijf exploiteert momenteel dit product en daar verdienen we dus aan.'

Gebeurt dit vaker: onderzoeksgroepen die met geld dat ze via patenten verdienen 'impopulair' onderzoek doen?

'Nee, dit is echt een uitzondering. Maar ja, wat wil je ook: dit is een van de weinige afdelingen binnen de universiteit waar geld verdiend wordt met patenten. Ze hebben een geweldige waffel op centraal niveau over kennisbeleid maar het kost in de meeste gevallen alleen maar geld. Dit is een van de weinige plekken waar het wat oplevert. Hoe dat komt? Ik denk dat de universiteit, wat patenten betreft, een slecht beleid voert. Jarenlang is elke uitvinding die gedaan werd door een hoogleraar onmiddellijk gepatenteerd. Pure onzin, want niet alles wat je kan patenteren, kun je succesvol op de markt brengen. Een patent in de lucht houden kost ongeveer een euroton per jaar en dat bedrag moet natuurlijk wel terugverdiend worden. Ze hebben hier rijp en groen gepatenteerd en er is veel te weinig uitgelicenseerd.'

Ze hebben niet eerst gekeken welk patent geld kon opleveren?

'Dat hebben ze gedaan: maar met de verkeerde adviseurs. Mensen die niet het belang van de RuG (Rijksuniversiteit Groningen) vooropstelden. Allemaal jongens uit het bedrijfsleven die eerst keken of de uitvinding voor hun bedrijf interessant was: zo ja, dan adviseerden ze om vooral niet te gaan patenteren zodat ze het gratis kregen. En als het een uitvinding was waar niemand belang bij had lieten ze het patenteren door de RuG - die vervolgens met de kosten zat. Echt bizar!'

De RuG doet het nu zelf.

'Ja, gelukkig wel. Nu ligt de verantwoordelijkheid voor de te maken keuzes bij de uitvinders en dat is beter. Maar uiteindelijk denk ik dat een organisatie als de RuG niet geschikt om patenten te verkopen en de vraag is zelfs of ze dat wel moeten. Ik heb in de farmaceutische industrie gewerkt: het verschil tussen de universiteit en het bedrijfsleven is groot. Men heeft hier onvoldoende door dat niet elke uitvinding die je kan patenteren op de mark gebracht kan worden. En dat is erg triest, want het kost de universiteit handenvol geld.'

Terug naar de farmaceutische industrie. Er worden dus geen medicijnen ontwikkeld tegen taaislijmziekte. Dat roept de vraag op: is de farmaceutische industrie wel innovatief genoeg?

'Ja hoor, ze zijn hartstikke innovatief. Maar alleen op het gebied van de blockbusters [medicijnen die meer dan een miljard dollar per jaar opleveren]. Maar dat is toch ook innovatie? Op dit moment zijn statines (cholesterolverlagers) de grote blockbusters. Uiterst innovatieve producten. De toekomstige blockbuster rimonabant, een medicijn tegen vetzucht, is ook zeer innovatief. Het is misschien minder innovatief dat na de introductie van ribonabant allerlei andere bedrijven zogenaamde me-too-medicijnen gaan ontwikkelen die daar een variant van zijn. Maar misschien ontstaan er op die manier geneesmiddelen die beter werken dan het origineel - dus dat kan ook voordelig uitpakken.'

Moet de overheid misschien de farma-industrie stimuleren om medicijnen te gaan ontwikkelen tegen ziektes met kleine patiëntenpopulaties zoals taaislijmziekte - de zogenaamde weesgeneesmiddelen?

'Nee, het is niet de taak van de overheid nieuwe medicijnen te ontwikkelen - dat is de verantwoordelijkheid van de farmaceutische industrie. De overheid zou zoiets ook nooit kunnen betalen. Wat ze wel kunnen doen is het vergemakkelijken van het registratieproces voor weesgeneesmiddelen. Dat proces is al wel gemakkelijker gemaakt voor dit soort medicijnen maar het blijft een heel karwei. En dan kun je hoogstens hopen dat een bedrijf toevallig tegen een weesgeneesmiddel aanloopt terwijl ze naar iets anders op zoek zijn en daar de weesgeneesmiddelenregistratie voor kunnen gebruiken. Maar compleet nieuwe geneesmiddelen voor dat soort ziektes zitten er helaas niet in. Het levert gewoon te weinig op. Het is iets dat je moet accepteren. Net zoals er jaarlijks zo'n duizend mensen overlijden aan auto-ongelukken.'

Een ander probleem: er worden te weinig generieke medicijnen voorgeschreven door artsen. De kosten voor de gezondheidszorg zijn daarom onnodig hoog.

'Dat klopt. Maar daarvoor moet je niet bij de industrie zijn - die proberen gewoon hun medicijnen te verkopen. Voorschrijfgedrag is een zaak van de artsen, en van niemand anders. Nu mag er alleen bij artsen reclame voor geneesmiddelen gemaakt worden. Dit leidt in mijn ogen tot wantoestanden. Je kan natuurlijk de industrie daarvan de schuld geven maar het zijn de artsen die zich op een extreme manier laten fĂȘteren en in de watten laten leggen.'

Zou een strengere controle helpen?

'Hoe wil je zoiets controleren? Dat is gewoon niet te doen. Ik denk dat het beter is geneesmiddelenreclame gericht op consumenten gewoon toe te staan - op voorwaarde dat de beweringen in die reclames moeten kloppen. Dan gaat het geld naar televisiespotjes in plaats van naar de arts. Dit voorstel is vloeken in de kerk van de beleidsmakers en artsen maar de situatie zou zo een stuk transparanter worden. En waarom zou een patiënt niet mogen weten dat een bepaald medicijn goed voor hem is?'

Hoeveel kost het ontwikkelen van een geneesmiddel eigenlijk?

'Gemiddeld zo'n 800 miljoen dollar. En dat is exclusief reclame en marketing. En dan leidt de farmaceutische industrie ook nog eens op vijftig procent van alle uitgebrachte medicijnen verlies. Dan heb je het dus over flinke bedragen. Voor alleen de Europese markt is het niet eens meer mogelijk een medicijn te ontwikkelen. Dat komt doordat er in elk Europees land prijsreguleringssystemen bestaan: de overheid bepaalt de prijs die je voor je tablet mag vragen. Het wordt dan heel moeilijk de ontwikkelingskosten terug te verdienen. Het gevolg van deze politieke keuze is dat de innovatie doodgaat in Europa. En ondertussen vertrekt de farmaceutische industrie naar Amerika - daar mag je nog vragen wat je wilt voor je medicijn.'

Overdrijft de farmaceutische industrie niet als ze dit soort getallen noemen? Is 800 miljoen niet veel te veel?

'Nee, zeker niet. Maar bedrijven als Pfizer en GlaxoSmithKline moeten ook niet zielig doen en zeggen dat ze de ontwikkelingskosten bijna niet meer op kunnen brengen. Juist dat soort grote bedrijven - die enorm veel winst maken - kunnen dat soort bedragen prima betalen. Zij hebben immers verschillende blockbusters. Het is natuurlijk wel bedreigend voor zo'n bedrijf dat het patent op die blockbusters op een gegeven moment vervalt - en dan valt opeens zeventig procent van je omzet weg. Dat is lastig, want dan moet je opeens mensen gaan ontslaan.'

Critici zeggen dat de farmaceutische industrie, als het patent gaat vervallen, kleine verbeteringen aan een medicijn toevoegt - die eigenlijk weinig zin hebben -waarop ze een nieuw patent aanvragen. Op deze manier kunnen ze zeer lang geld blijven verdienen aan hun ontdekking. Is dat zo?

'Ja, dat is een voorbeeld van life-cycle-management: zorgen dat je zo lang mogelijk je positie kan behouden. Maar uiteindelijk zet het weinig zoden aan de dijk: de generieken [merkloze medicijnen] overwinnen toch wel. En bekeken vanuit het perspectief van de gezondheidszorg is het maar goed ook dat we geneesmiddelen na verloop van tijd goedkoop kunnen krijgen. Tja, balen voor de producent maar als je na acht jaar de kosten niet hebt terugverdiend dan heb je of je marketing niet goed gedaan of het geneesmiddel was niet goed genoeg.'

Zouden de looptijd van patenten niet korter kunnen? Is 25 jaar niet te lang?

'Nee, zeker niet korter. Je bent tien tot vijftien jaar bezig met de ontwikkeling. Dan heb je nog meer vijf tot acht jaar om je 800 miljoen investering terug te verdienen. Dat is best lastig. Korter dus zeker niet. Waar ik wel voor ben is dat de patenttijd - laten we zeggen tien jaar - pas ingaat op het moment van registratie of marketingautorisatie. Dat zou reëel zijn.'