Terug naar… 27 december 1896

Een Belgische econoom, Gustave de Molinari, heeft een briljant plan bedacht: een Midden-Europees tolverbond tussen Frankrijk, België, Nederland, Denemarken, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Zwitserland zodat binnen deze “unie” vrij verkeer van goederen kan plaatsvinden. Dit zal een “grooten prikkel” geven aan de nijverheid. Tijdens het internationaal landbouwcongres in Boedapest heeft De Molinari een lezing gehouden over dit onderwerp. Zou zoiets ooit kunnen slagen?

Het is zeker een grootsch denkbeeld, maar waarvan de verwezenlijking hoogst twijfelachtig is. Het Duitsche tolverbond [een soortgelijk verbond tussen de Duitse deelstaten] betrof een enkel volk, dat wel staatkundig in een aantal deelen gesplitst was, maar toch door taal en andere banden geneigd tot aaneensluiting en tot de offers die daarvoor gevergd werden. Het zal niet zoo gemakkelijk zijn die offers van geheel verschillende landen, met zeer uiteenloopende belangen en fiscale en economische wetgevingen, te verkrijgen.

Toch laat De Molinari zich daar niet door ontmoedigen: hij is inmiddels al 20 jaar aan het leuren met zijn plan. In 1878 probeerde hij Bismarck, de minister-president van Pruisen, te overtuigen. Bismarck zei:

“Daarvoor is allereerst noodig dat men geen oorlogen meer voert. Zoolang er nog oorlog mogelijk is, zullen er tolgrenzen zijn. Bovendien is een tolverbond enkel mogelijk tusschen volken van hetzelfde ras. Zelfs bij de Duitschers is het niet zonder groote moeite tot stand gekomen.”

— Maar nu gij, Duitschers, het met elkaar eens zijt geworden, waarom zoudt ge het dan niet ook met anderen klaar spelen? — vroeg De Molinari.

De kanselier wees toen op de verschillen in fiscale en economische wetgevingen. Men kan bovendien niet aan op de eerlijkheid van alle ambtenaren die met de inning der rechten langs de uitgestrekte grens zouden belast worden. En hoe zou men tot gelijkheid kunnen komen in de regeling der binnenlandsche accijnzen? In Duitschland had men dan ook voor bier en gedistilleerd afzonderlijke regelingen moeten behouden. De kanselier zag bovendien de toekomst voor den vrijen handel duister in. “Zelfs Engeland,” meende hij, “zal dien niet volhouden, wil het niet in verval geraken.”

Léon Bay, een Franse minister van financiën, was ook sceptisch:

Deze staatsman zette ook een ongeloovig gezicht en somde al de staatkundige, economische en fiscale bezwaren op tegen een tolverbond tusschen zoovele staten, verdeeld door vijandelijke gevoelens en door allerlei andere redenen. Hij erkende echter dat zulk een verbond een gunstigen waarborg kon opleveren voor het behoud van den vrede en achtte de zaak, hoe moeilijk ook, toch niet geheel onmogelijk.

De Molinari probeerde vervolgens om een bilateraal-tolverbond tussen Nederland en België tot stand te brengen. Dit mislukte echter. De kansen leken eindelijk de keren toen Hongarije in de jaren tachtig aangaf dat ze nadachten over het invoeren van een Midden-Europees tolverbond… maar door de “protectionistische vlaag, die over Europa begon te waaien” leidde dat uiteindelijk tot niets. “In 1896 was de heer De Molinari nog niet verder gekomen dan hij in 1878 was”, meldt de krant. De Molinari blijft echter optimistisch. Omdat het protectionisme steeds meer onder vuur komt te liggen, denkt hij dat het Midden-Europese tolverbond weer kans van slagen maakt.

“Immers – zoo sprak [De Molinari] – het is klaar dat het protectionisme geen enkel zijner schoone beloften heeft vervuld. Het heeft geen eind gemaakt aan de kwijning noch bij den landbouw, noch bij de nijverheid. De toeneming van het getal werkloozen in de landen waar de “nationale arbeid” heet te worden “aangemoedigd” door de hooggeroemde weldaden der bescherming, is daar om te bewijzen, dat men niet door de levensbehoeften duurder te maken en het verbruik er van, evenals van alle andere producten, te verminderen, den afzet der productie kan vergrooten en den toestand der arbeidende klasse verbeteren. […]”

Zeer aanlokkelijk is dan ook het denkbeeld van een groote Europeesche markt, van een grooten Statenbond, die weldra 150 millioen inwoners zou tellen, onder wie vrijelijk alle goederen konden circuleeren — als de onderlinge tolboomen werden opgeruimd.

[…]

Hoever men nog van dat schoone ideaal verwijderd is, heeft de heer De Molinari te Budapest ervaren. Zijn denkbeeld vond veel bestrijding en bijna geen ondersteuning. De meeste volkeren zijn nog niet oververzadigd van protectionisme en nog niet rijp voor oeconomische vrijheid.

Bron

Terug naar… 25 december 1896

Een mooie kerstboodschap in de krant:

Er zijn woorden, die van nature bijeen schijnen te hooren. Kerstfeest en Kerstbrood, klinken ons al heel natuurlijk, maar is een samenstelling meer vanzelfsprekend dan Kerstgave? Het moet ook wel, want wie veel ontvangt, is vanzelf gul en wanneer […] wordt ons meer geschonken aan vreugde, aan belofte voor de toekomst, aan geluk hier en in een andere wereld, dan op het Kerstfeest? 

En dubbel zalig is het de Kerstgave te geven, die van ons gevraagd wordt, omdat zij voor kinderen bestemd is, voor hongerende, bleeke kleinen: een Kind bracht ons de Kerstvreugde, laten wij het aan de kinderen vergoeden. 

Vele smalle gleufjes aan witte bussen, die men dezer dagen heel gemakkelijk vinden kan in onze stad, vragen om geldstukken, groote en kleine, gouden en zilveren, ook om bronzen van wie geen zilver of goud te geven heeft. Mogen ze veel, heel veel opnemen voor de kas van Kindervoeding

Terug naar… 24 december 1896

De tijd dat een kleine elite de touwtjes in handen had, is voorbij. Door verruimingen van het kiesrecht kunnen bijvoorbeeld steeds meer mannen stemmen (en wie weet zullen vrouwen ook ooit dat privilege krijgen). Kortom, de macht van de “menigte” neemt toe. Daarom heeft de heer G. de Rivalière een studie naar dit onderwerp gepubliceerd in de Revue Bleue:

De maatschappelijke vooruitgang heeft ons gebracht in het tijdperk der menigten. Meerderheid van stemmen beslist tegenwoordig over ons lot. Welk een groot belang is het dus voor ons, de menigte die zulk een macht heeft, te kennen! Te meer omdat wij er zelven beurt om beurt toe behooren.

Volgens De Rivalière zijn menigtes aan het begin van revolutionaire periodes altijd bandeloos: “De orde van zaken is omvergeworpen en nog niet vervangen. De maatschappelijke moleculen zijn in hevige beweging, zoeken een middelpunt en zoolang zij dat niet vinden, zijn zij tot spel aan iederen invloed.” Daarna geeft de menigte zich over aan een sterke man of groep van personen. De menigte gaat nu slaafs deze man of groep volgen. In onze tijd volgen de kiezers de kiesverenigingen (politieke partijen):

De serviliteit van kiezers is spreekwoordelijk geworden. Zij worden volstrekt geregeerd door kiesvereenigingen, gevormd uit de invloedrijksten uit iedere plaats die een even uitgebreid als onduidelijk omschreven gezag bezitten. De dwang, dien zij uitoefenen, is te meer bedenkelijk omdat bij naamloos is. Den candidaten wordt door het comité een programma voorgeschreven en het kiezerscorps bepaalt zich er toe, als het oogenblik daar is, door zijne stemmen de keuzen goed te keuren, die in zijn naam, maar buiten hem om, zijn gedaan. De “republikeinsche tucht” waarvan in politieke manifesten in Frankrijk steeds sprake is, beteekent in den grond niets anders dan de dienstbaarheid der kiezende menigte.

De Rivalière verwacht dat de menigte op een gegeven moment de kiesverenigingen, bestaande uit meerdere personen, zal inwisselen voor één sterke leider:

De menigte redeneert weinig en verkeerd, doch heeft een sterke verbeelding en deze geeft aan die slaafsheid haar waar karakter. Zij is niet laag en verachtelijk, maar komt integendeel voort uit bewondering en genegenheid. Genegenheid, liefde, leeft niet van bespiegelingen, maar van tastbare werkelijkheid; en zoo zoekt de menigte, al onderwerpt zij zich voor een tijd aan een groep van personen, altijd en onweerstaanbaar naar één man. Vele geloovigen kunnen zich de Godheid niet voorstellen dan in een vorm der werkelijkheid; evenzoo begrijpt de menigte het Gezag en de Macht slechts als verpersoonlijkt in een mensch dien zij kunnen toejuichen en die hen met zijn blik regeert.

Die sterke leiders kunnen elk moment verschijnen. In Frankrijk bijvoorbeeld worden op dit moment aanvoerders gemist. Tegelijkertijd leven we in een periode

waarin wij “met steeds toenemende snelheid meegesleept worden naar ik weet niet welk geheimzinnig doel, zonder dat een krachtige wil de gebeurtenissen tracht te leiden of te beheerschen.” Daarom verwacht de schrijver dat na het gelijkheidstijdperk dat wij nu doormaken, opnieuw een krachtige hiërarchie zal gevestigd worden.

Daarnaast bevat de krant een beschouwing waarin de schrijver zich afvraagt of Europeanen echt zoveel beschaafder zijn dan “wilden”:

De wilde neemt pijl en boog, en verlaat zijn hut, na een vluchtig woord tot zijne echtgenoote, zijn huishoudster, zijn slavin. Hij gaat ter jacht. Maar hij jaagt uit behoefte, uit honger. Als hij straks een hert, een antilope, een ander stuk wild zal hebben geschoten, hangt hij den boog en den pijlkoker op den rug en brengt zijn buit huiswaarts, waar zijn gezellin het dier zal afstroopen, en stuksnijden en toebereiden voor den maaltijd. Want de wilde jaagt als — een wilde. Hij gaat er alleen op uit, zonder hond om het wild op te jagen, zonder juistheidswapen; hij moet geduld toonen en volharding, moed vaak, om te worstelen met het roofdier, zijn vijand en mededinger….

Hoe anders pakt de “beschaafde” het aan! Met geweren en drijfjachten worden dieren zonder enig mededogen afgeslacht. Het is geen jacht maar een “doodslagerij”.

Niet om te eten jaagt de beschaafde, maar om te jagen. Het is geen behoefte, maar een vermaak. Hij doodt om te dooden, uit ijdelheid, uit genotzucht, uit snobisme, uit plezier. Hij is geen jager meer, maar een intell[i]gentie, achter een goed geweer.

Het gevolg is dat “nuttige en fraaie” dieren in de toekomst beschermd moeten worden omdat ze anders uitgeroeid worden:

Och ja, de beschaving brengt ons er toe, de dieren in bescherming te nemen tegen onze beschaafde natuurgenooten. […]

Toen Afrika nog gesloten was voor de beschaving — dat wil zeggen toen de Europeeërs den negers nog geen jenever en buskruit hadden gebracht — leefden de olifanten in vrede in het zwarte werelddeel. Een enkele maal werd er een gedood…. maar zelden. De harde huid van den woudreus was wel bestand tegen het speldeprikje van den pijl des negers. Bij kudden woonden de zachtaardige dieren bijeen in de dichte bosschen, en waar zij gevangen werden, werden zij getemd en gewend den mensch te helpen bij den moeilijken arbeid, dien deze te volvoeren had. De reuzenkracht van den olifant was een “motor” die zijns gelijke nog vinden moet.

Maar de blanke man kwam, en hij bracht, met andere vruchten der beschaving, gouddorst en liefde voor ivoor mede naar het zwarte werelddeel. Een verbitterde strijd begon tegen den levenden schatbewaarder van het fraaie witte been, dat zoo mooi is om biljartballen van te maken, en manchetknoopen en andere snuisterijen. En de blanke kende het wapen waarmede hij den olifant bestrijden moest.

Het werd een “beschaafde” en echt-Europeesche afmakerij.

De schrijver rekent daarna voor dat er in 1895 zo’n 42.000 olifanten gedood zijn.

Werkelijk, de olifanten zullen zoo lang niet meer te dooden zijn. Binnen een tiental jaren, als men op deze wijze voortgaat, zal een geslacht zijn uitgeroeid, een soort zijn verdwenen, dat nog meldt van de “wonderen der Schepping”. Dan zal een olifant — zonder slagtanden natuurlijk! — een zeldzaamheid geworden zijn, bijna zoo zeldzaam als een gouden munt van Karel den Groote.

Er moet dus iets veranderen:

Want als het zoo voortgaat, zal de beschaafde mensch langzamerhand deze aarde ontdoen van haar nuttigste, haar fraaiste, haar uitnemendste voortbrengselen.

De olifant wordt uitgeroeid, de walvisch is bijna een legendarisch dier geworden, de paradijsvogels zijn ver te zoeken; als wij onze nuttige en fraaie vogels niet beschermen, worden zij voortdurend gedood

Kortom, die zogenaamd domme “wilden” zijn nog niet zo gek:

En dan verbaast zoo’n Europeaan zich, dat er wilden zijn die in een bosch een kokosboom omhakken, om de vruchten te eten die boven zijn bereik hangen.

Neen, zoo dom is de beschaafde Europeaan niet! Hij hakt eenvoudig het heele bosch om en maakt er brandhout van.

Wat eenvoudig een nieuw bewijs is voor de ontzaglijke hoogte waarop de beschaafde blanke boven den wilden inlander in Azië of Afrika staat.

Bron

 

Terug naar… 23 december 1896

Niet iedereen in de stad is blij met de sneeuw. Ene W. Gützlaff schrijft in een ingezonden brief:

Gisternamiddag om 3 uur wenschte ik mijn kastoor Rokin 3bis — gebouw Continental Bodega — te verlaten, om langs de verhooging achter den Vijgendam naar den overkant van het Rokin te gaan. Ik was nauwelijks het midden voorbij, toen van boven af een sneeuwbal, een steen zoo groot als een vuist bevattende, mij met zulk een heftigheid op het hoofd geworpen werd, dat ik voor een oogenblik het bewustzijn verloor en tuimelde. Toen ik weer bijkwam, liep ik de trappen der verhooging op, om den dader te pakken. Spoedig zag ik echter de hopeloosheid van mijn poging in, daar alle jongens aan de andere zijde de verhooging afliepen en verdwenen.

Ik wenschte dit feit onder het oog der politie te brengen. Altijd, wanneer er sneeuw gevallen is, verzamelen zich op deze verhooging een groot aantal straatjongens, die er vermaak in scheppen, van bovenaf het voorbijgaand publiek niet alleen met sneeuwballen, maar ook met sneeuwballen die steenen bevatten, te bestoken. Dergelijke gevaarlijke schandalen dienden door de politie belet te worden. Indien het niet anders mogelijk is, dient de sneeuw van de verhooging direct verwijderd te worden, om aan de straatjongens het materieel voor hunne baldadigheden te ontnemen. Verleden jaar zag ik een oud man, die aan den voet van de verhooging zoo hevig door een bal getroffen werd, dat hij niet alleen kon opstaan. Zal men wachten, totdat grooter onheil ontstaat?

Ondertussen overheerst in Krasnapolsky de ware kerstgedachte:

Gedurende de aanstaande feestdagen zal in Krasnapolsky’s Wintertuin een reusachtige Kerstboom prijken met een aantal geschenkjes, bestemd voor de kleinen in het Kinderziekenhuis en het Gasthuis. De boom zal verrijzen uit een perk van groene en bloeiende planten en in de ruime zaal zeker een verrassenden aanblik opleveren. De lichtjes branden van ‘s avonds negen tot elf uur.

Terwijl de heer Krasnapolsky op deze wijze een aantal zieken kindertjes een gelukkig oogenblik bereidt, vertrouwt hij dat zijne bezoekers iets voor de gezonden zullen doen door de bussen voor “Kindervoeding“, die evenals vroeger gedurende de feestdagen in het gebouw worden opgehangen, eens goed te gedenken.

Bron

Terug naar… 22 december 1896

De krant bevat een reconstructie van de laatste uren van de vermoorde Hendrika Beyer. De vader van Hendrika is onlangs overleden (dat verklaart waarom ze rouwkleding toen ze gevonden werd) en mevrouw Teutenberg, bij wie ze in dienst was, was zo aardig geweest om “attenties” te geven (oftewel: ze heeft een kaart gestuurd). Niet lang daarna moesten meneer en mevrouw Teutenberg naar Frankfurt; de broer van mevrouw Teutenberg was daar overleden. Hendrika besloot vervolgens een rouwkaart te kopen (hoe ironisch, gezien haar lot!) en deze op te sturen naar mevrouw Teutenberg in Frankfurt.

Zij is uit de stad gekomen, heeft in den boekwinkel in de P.C. Hooftstraat het kaartje gekocht, is er mede naar huis gegaan (op den Parkweg voorbij het eerste Rondpoint), heeft daar haar naam er op geschreven, en heeft het, zonder envelop, gebracht, bij den heer C.A.A. Wübbe, een neef van mevrouw, die woont op den hoek van het 1e Rondpoint van den Parkweg en de Van Eeghenstraat (No. 57). Deze zou het dan wel aan het adres zenden.

Van huis heeft het meisje het pakje medegenomen, dat bij haar gevonden werd. Zij had aan haar zuster die op de Brouwersgracht dient, gevraagd, waar deze haar mutsen liet strijken, en zou haar muts ook daarheen brengen. Zoo heeft zij dus de vuile muts ingepakt en zou dan meteen bij haar familie (Rozengracht 37) aanloopen. Haar weg liep nu natuurlijkerwijs van den Parkweg over het 1e Rondpoint, door de Van Eeghenstraat en de Jan Luijkenstraat naar de Van Baerlestraat.

In de Van Eeghenstraat is ze aangevallen en overleden. Omdat haar werkgevers in Duitsland waren, is ze niet als vermist opgegeven en duurde het even voordat ze geïdentificeerd kon worden. Daarnaast is bekend geworden dat Hendrika ook een vriendje had. Hij is geen verdachte:

De stiefmoeder van het meisje verklaarde ons, dat Hendrika met haar vrijer op den besten voet stond. Zij was zedig en bedaard, hield zich weinig met buren en vriendinnen op, en was zelfs aan diens[t]meisjes, die vlak bij haar in de straat dienen, weinig bekend.

Er bestaat dan ook geen reden om te veronderstellen, dat zij den man, die haar de wonde heeft toegebracht, zou gekend hebben, of dat zij zich vroeger of dien avond met hem zou hebben afgegeven.

Natuurlijk is er ook luchtiger nieuws: we krijgen misschien een witte kerst!

’t Had al een paar dagen gedreigd, Uit den loodgrijzen hemel waren gisteren reeds nu en dan kleine, heel kleine flokjes nedergedwarreld en langzamerhand hadden zij op plaatsen, waar he verkeer onbeteekenend is, een heel dun laagje wit gevormd, zoo iets alsof met suiker was gestrooid. Maar in den avond, daar begon het eerst recht. Dikker en dikker werden de vlokken en toen Amsterdam ‘s morgens ontwaakte, gaf het een wintergezicht te zien, zooals men dat in de Kerstmis-illustraties altijd ziet afgebeeld, maar zooals men het in dien tijd niet altijd te aanschouwen krijgt. Dik lagen boomen en wegen met de sneeuw bedekt. Buiten, als altijd een prachtvol gezicht; ginds in het Vondelpark b.v. een heerlijk wintertafereel. In de stad spoedig een minder poëtische aanblik. Het verkeer ging dadelijk zijn eischen stellen en van alle zijden kwamen zij aangerukt de mannen van den Stadsreiniging en van de tram en zij begonnen fluks met de houten schuiven de sneeuw te duwen van het midden der straat naar den trottoirrand, en zij reinigden de voetgangerspaden zooveel mogelijk, doch steeds sneeuwde het voort, steeds daalden de vlokken uit den hooge neder.

En als het straks uitgesneeuwd zal zijn en misschien de vorst de sneeuw zal vasthechten aan boom en plant, aan straat en weg, dan zal natuur zich met de Kerstdagen vertoonen in al haar winterpracht.

De treinen rijden onlangs de sneeuw vrolijk door:

Als bij het ter perse gaan van dit nummer de sneeuw, met haar witte vlokken nog altijd eentonig neerdwarrelt en alles, boomen, huizen, straten, onder een wit, helder kleed verstopt, dan vraagt het reizend publiek zich af, of die sneeuw ook van invloed zal zijn op het verkeer der treinen. Wij kunnen het geruststellen. Op geen lijn werd nog vertraging ondervonden en de dienst kon zonder een enkel accident geregeld voortgaan. Twee, drie dagen mogen de warrelende vlokjes nog neertuimelen, en de locomotieven zullen nog best in staat zijn hun eigen weg schoon te vegen. Alleen sneeuwval met sterken wind kan gevaarlijk worden voor het spoorwegverkeer; dan kunnen de z.g. sneeuwstuivingen ontstaan, groote bergen van dichte sneeuw, die zorgvuldig weggeruimd moeten worden, eer de trein verder kon gaan, maar voorloopig is hier hoegenaamd nog geen gevaar voor.

Bron