Terug naar… 31 december 1896

De laatste dag van het jaar. Uiteraard mogen appelbeignets vandaag niet ontbreken:

Heer
lijke Appelbeignets à 3Ct. zijn weder evenals
vorige jaren op bestelling te verkrijgen aan het oude
adres Banketbakkerij “de Vergulden Olyfant” Leid-
schestraat 89.          (26444)

JAN HELLEGANGER.

Met Oudejaar zijn ze den geheelen dag bij
iedere hoeveelheid verkrijgbaar; doch men wordt
beleefd verzocht bestellingen vroegtijdig op te geven.

Is het misschien te donker tijdens oud en nieuw? Uit een andere advertentie:

OUDEJAARSAVOND

Voor deze zoowel als voor
andere gelegenheden zijn
Lampen in bruik-
leen te bekomen bij (26439)
J.C. Stelling,
N.Z. Voorburgwal No. 308.

Verder worden de militairen herdacht die in Nederlands-Indië gevallen zijn (o.a. tijdens de Atjeh-oorlog):

Bij het einde van het jaar staan we met ontbloot hoofd, dankbaar en eerbiedig bij de graven der helden, die voor ons vaderland in 1896 het leven gaven.

We zien in gedachten op oudejaarsavond van al de torens onzer steden en dorpen driemaal de vlag dalen als een saluut aan de dapperen, die in onze koloniën voor de eer en den plicht van Nederland streden en leden en stierven.

* * *
Het allereerst denken we aan de mannen die, na het door Toekoe Oemar gepleegde verraad in Groot-Atjeh vielen voor de handhaving van Nederlands oppermacht.

Wij kunnen hen niet bij name noemen…. nagenoeg alle rangen van ons roemrijk Indisch leger, van generaal tot inlandsch soldaat, worden vertegenwoordigd in de rij der gesneuvelden.

En de gewone inlandsche soldaat, die op schitterende wijze de eer van de vlag — waaronder hij diende en die zijn land tot zegen is — hielp hooghouden, verdient niet minder hulde dan zij, die hem voorgingen in den strijd.

* * *
Hoezeer wij hen, die den heldendood stierven, betreuren, één troost is er: zooals de zaken zich thans laten aanzien, zullen de offers niet tevergeefs zijn gebracht. Onze vlag wappert weder, als in de dagen van generaal Van der Heyden — maar nu voor goed — in de geheele vallei van Groot-Atjeh. […]

De Nederlandsche vlag is weder geplant op de heuvelen en in de dalen…. zij zal daar blijven wapperen!

Neen, niet tevergeefs zijn de offers gebracht.

[…]

De plaats, door de overledenen vervuld, wordt weder ingenomen… maar hun voorbeeld wordt niet vergeten! Mannen zooals zij wier namen wij noemden, hebben nobele voorbeelden achtergelaten van geestdrift, van toewijding, van liefde voor land en volk, en bovenal van karakter. Zij hebben niet tevergeefs geleefd.

En bij het einde van het jaar brengen wij aan hun nagedachtenis eerbiedige hulde. Is het geen heerlijk, moedgevend denkbeeld, dat telkens als er kloeke, onzelfzuchtige mannen noodig zijn, het oude vaderland die nog weet ten offer te brengen tot heil van Insulinde?

Voor Indische pessimisten is er weinig te oogsten in het vorig jaar.

Nederland’s regeering, haar leger en vloot en ambtenaren deden moedig hun plicht in Indië, en vele van Nederlands zonen offerden, met een leve de Koningin! op de lippen, hun leven bij het volvoeren van dien plicht.

Den dapperen hulde en zegekransen!

Een gelukkig 1897 toegewenst!

Bron

Terug naar… 30 december 1896

Twee korte berichtjes geven mooi aan hoe er gestraft werd in 1896. Een zakenroller krijgt het volgende vonnis voor zijn kiezen:

Aart Rietveld, die in de Kalverstraat een portemonnaie gerold heeft, word heden tot een jaar en zes maanden veroordeeld. De eisch was twee jaar.

Anderhalf jaar voor het stelen van een portemonnee! Het is een forse straf. Wat zou dan iemand krijgen die, ik noem maar wat ernstigs, zijn vrouw probeert te doden? In een ander berichtje lezen we het antwoord:

Wilhelm Leonard Huyboom, die wegens zijn ongelukkig leven met zijn huisvrouw zich aan haar vergreep [oftewel: een poging tot doodslag deed], word heden tot een gevangenisstraf van een jaar veroordeeld. De eisch was twee jaar.

Kortom, je kan in 1896 beter een vrouw proberen dood te meppen dan een portemonnee jatten.

Bron

Terug naar… 29 december 1896

Hendrika Beyer is begraven. De krant bevat een verslag van deze gebeurtenis. Ondanks de kou en de regen was de belangstelling groot:

Hedenochtend had de begrafenis plaats van Hendrika Beyer, het dienstmeisje, dat in de Van Eeghenstraat vermoord werd. Een groote menigte had zich verzameld op de Gedempte Rozengracht voor het erfje, waar het gezin Beyer woont. Het lijk was in den morgen van het Wilhelmina Gasthuis naar de schamele woning der familie overgebracht.

Tegen kwart voor elf kwam de lijkkoets vóór, gevolgd door een viertal rijtuigen. Een detachement politie-agenten hield de menigte op een afstand, terwijl de verzegelde kist in het rijtuig werd gedragen. Een viertal kransen dekten de baar.

Het publiek was sterk onder den indruk. Het was doodstil, toen de dragers met de kist het steegje uitkwamen. Vele toeschouwers ontblootten het hoofd.

De stoet reed eerst van de Rozengracht over de Prinsengracht de Rozenstraat door, om het huis heen, ging toen langs de oneven zijde van de Prinsengracht tot het Molenpad, deze straat in, de Keizersgracht over, volgde de Leidschegracht tot de Kerkstraat, ten einde de woning te passeeren van De Jager, den verloofde van de vermoorde (Kerkstraat 31). Daarna reed men langs Leidschestraat, Leidscheplein en Overtoom naar het kerkhof Buitenveldert aan den Amstelveenschen weg.

Niettegenstaande den regen liepen er heel wat menschen mede, zoodat de kleine kapel, waar de lijkmis werd opgedragen, stampvol was.

Vooral bij het verlaten van het kerkje was het gedrang hevig, en met moeite kon de politie den al te grooten toevloed van nieuwsgierigen op het kerkhof in bedwang houden.

De plechtigheid was om ongeveer half een afgeloopen.

(En daarna bleef het stil rond de moord. De dader is uiteindelijk nooit geïdentificeerd.)

Bron

Terug naar… 28 december 1896

De politie tast nog steeds in het duister over de moord op Hendrika Beyer. Onlangs is er weer een jonge vrouw lastiggevallen door een man. Wellicht is hij de dader? De politie wil in ieder geval meer informatie over deze zaak en vraagt daarom of de getuigen zich willen melden:

In den nacht van 25 op 26 dezer te ongeveer 1 uur is in de Haarlemmerstraat alhier eene jeugdige vrouw door een persoon, als heer gekleed, bemoeilijkt.

Twee jeugdige personen (aankomende jongens) hebben die vrouw hulp verleend.

Zij worden verzocht zich ten spoedigste te vervoegen aan het commissariaat van politie in de 3de sectie (Leidscheplein).

Daarnaast een recensie van een Frans boek (“wij, negentiende-eeuwers, leven nu eenmaal door, voor en van de pers”) waarin “graphische voorstellingen” staan van onder andere het tabaksgebruik per land. Dit wordt weergegeven via mannetjes met pijpen. Hoe groter de pijp, hoe meer tabak er gerookt wordt. Nederland blijkt de recordhouder te zijn:

Voor Nederland vinden wij een ontzaglijke pijp — en daarachter een heel klein kereltje. Geen wonder, want uit die pijp moet dat mannetje 3400 gram tabak rooken. Dat doet niemand hem na; zelfs de tweede aankomende, de Yankee, blijft bij hem nog 1290 gram achter. De overige groote pijpen vinden wij bij onze zuidelijke en oostelijke naburen; het schijnt in dien hoek te zitten! België rookt een monsterpijp van 1552 gram, Duitschland van 1485 gram.

Er staan ook landkaarten in:

Zoo vinden wij een kaartje: Les prêtentions britanniques — een aardig onderwerp om eens in beeld te brengen. Want wij weten allen, hoe Engeland een steeds grooter wordend deel van het oppervlak der aarde voor zich in beslag neemt. Met de koolzwarte kleur der wanhoop heeft de Fransche teekenaar aangegeven welke plaatsen Engeland bezit; een beetje wit der hoop straalt door uit de gearceerde deelen, waarop Engeland slechts aanspraak maakt, zooals Egypte en Transvaal — maar waar waaksche oogen steeds op gevestigd zijn.

Bron

Terug naar… 27 december 1896

Een Belgische econoom, Gustave de Molinari, heeft een briljant plan bedacht: een Midden-Europees tolverbond tussen Frankrijk, België, Nederland, Denemarken, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Zwitserland zodat binnen deze “unie” vrij verkeer van goederen kan plaatsvinden. Dit zal een “grooten prikkel” geven aan de nijverheid. Tijdens het internationaal landbouwcongres in Boedapest heeft De Molinari een lezing gehouden over dit onderwerp. Zou zoiets ooit kunnen slagen?

Het is zeker een grootsch denkbeeld, maar waarvan de verwezenlijking hoogst twijfelachtig is. Het Duitsche tolverbond [een soortgelijk verbond tussen de Duitse deelstaten] betrof een enkel volk, dat wel staatkundig in een aantal deelen gesplitst was, maar toch door taal en andere banden geneigd tot aaneensluiting en tot de offers die daarvoor gevergd werden. Het zal niet zoo gemakkelijk zijn die offers van geheel verschillende landen, met zeer uiteenloopende belangen en fiscale en economische wetgevingen, te verkrijgen.

Toch laat De Molinari zich daar niet door ontmoedigen: hij is inmiddels al 20 jaar aan het leuren met zijn plan. In 1878 probeerde hij Bismarck, de minister-president van Pruisen, te overtuigen. Bismarck zei:

“Daarvoor is allereerst noodig dat men geen oorlogen meer voert. Zoolang er nog oorlog mogelijk is, zullen er tolgrenzen zijn. Bovendien is een tolverbond enkel mogelijk tusschen volken van hetzelfde ras. Zelfs bij de Duitschers is het niet zonder groote moeite tot stand gekomen.”

— Maar nu gij, Duitschers, het met elkaar eens zijt geworden, waarom zoudt ge het dan niet ook met anderen klaar spelen? — vroeg De Molinari.

De kanselier wees toen op de verschillen in fiscale en economische wetgevingen. Men kan bovendien niet aan op de eerlijkheid van alle ambtenaren die met de inning der rechten langs de uitgestrekte grens zouden belast worden. En hoe zou men tot gelijkheid kunnen komen in de regeling der binnenlandsche accijnzen? In Duitschland had men dan ook voor bier en gedistilleerd afzonderlijke regelingen moeten behouden. De kanselier zag bovendien de toekomst voor den vrijen handel duister in. “Zelfs Engeland,” meende hij, “zal dien niet volhouden, wil het niet in verval geraken.”

Léon Bay, een Franse minister van financiën, was ook sceptisch:

Deze staatsman zette ook een ongeloovig gezicht en somde al de staatkundige, economische en fiscale bezwaren op tegen een tolverbond tusschen zoovele staten, verdeeld door vijandelijke gevoelens en door allerlei andere redenen. Hij erkende echter dat zulk een verbond een gunstigen waarborg kon opleveren voor het behoud van den vrede en achtte de zaak, hoe moeilijk ook, toch niet geheel onmogelijk.

De Molinari probeerde vervolgens om een bilateraal-tolverbond tussen Nederland en België tot stand te brengen. Dit mislukte echter. De kansen leken eindelijk de keren toen Hongarije in de jaren tachtig aangaf dat ze nadachten over het invoeren van een Midden-Europees tolverbond… maar door de “protectionistische vlaag, die over Europa begon te waaien” leidde dat uiteindelijk tot niets. “In 1896 was de heer De Molinari nog niet verder gekomen dan hij in 1878 was”, meldt de krant. De Molinari blijft echter optimistisch. Omdat het protectionisme steeds meer onder vuur komt te liggen, denkt hij dat het Midden-Europese tolverbond weer kans van slagen maakt.

“Immers – zoo sprak [De Molinari] – het is klaar dat het protectionisme geen enkel zijner schoone beloften heeft vervuld. Het heeft geen eind gemaakt aan de kwijning noch bij den landbouw, noch bij de nijverheid. De toeneming van het getal werkloozen in de landen waar de “nationale arbeid” heet te worden “aangemoedigd” door de hooggeroemde weldaden der bescherming, is daar om te bewijzen, dat men niet door de levensbehoeften duurder te maken en het verbruik er van, evenals van alle andere producten, te verminderen, den afzet der productie kan vergrooten en den toestand der arbeidende klasse verbeteren. […]”

Zeer aanlokkelijk is dan ook het denkbeeld van een groote Europeesche markt, van een grooten Statenbond, die weldra 150 millioen inwoners zou tellen, onder wie vrijelijk alle goederen konden circuleeren — als de onderlinge tolboomen werden opgeruimd.

[…]

Hoever men nog van dat schoone ideaal verwijderd is, heeft de heer De Molinari te Budapest ervaren. Zijn denkbeeld vond veel bestrijding en bijna geen ondersteuning. De meeste volkeren zijn nog niet oververzadigd van protectionisme en nog niet rijp voor oeconomische vrijheid.

Bron