Terug naar… 29 november 1896

In de krant een stuk dat begint met de constatering dat we in Nederland vroeg oud worden:

Waarom noemt men zijn medemensch in Holland zoowat tien of vijftien jaar vroeger oud dan men dit in Engeland b.v. doet.

[…]

Wij geloven dat het grootendeels het gevolg is van de slechte gewoonte van velen in ons vaderland om zich zeer voorbarig te rangschikken onder de oude menschen.

Menigeen neemt aan als iets wat vanzelf spreekt, dat men zoo tusschen de 50 en 60 oud begint te worden. En nu spreekt juist niets minder vanzelf! Doch als men begin met de auto-suggestie dat men zich langzamerhand eigenlijk oud behoort te gevoelen, dan geeft men zich tevens niet de minste moeite om dat vooroordeel te overwinnen en jong te blijven.

Nu wordt niets dat het de moeite waard is te bezitten, verkregen zonder inspanning. Als men denkt dat men, op zijn pantoffels voortsloffend, de jeugd kan vastgrijpen vergist men zich. Maar wie wat moeite wil doen, de traagheid overwinnend en de frissche lucht beminnend, beloont zich zelf.

Maar hoe moeten stadsmensen die de hele zittend werk doen nou de traagheid overwinnen? Geen nood! Zij kunnen naar het pas opgerichte Zander-instituut in de bocht van de Herengracht. Daar kunnen ze met behulp van speciale apparaten werken aan hun conditie en spieren. Deze apparaten zijn uitgevonden door de Zweedse dokter en orthopeed Gustav Zander. (Volgens een artikel uit The Atlantic is Zander de grondlegger van de moderne sportschool. Hij is de man

who invented the exercise machine in its familiar form. Though Dr. Zander wasn’t alone in realizing the market for machines that would aid in exercise — and though exercise equipment as a more general thing has been around since long before the Greeks and their gymnasia — it was Dr. Zander who popularized the connections between physical exertions and overall well-being. He was the one who looked at a horse and realized it could be replicated for purposes of recreation. He was the one who looked at a bicycle and realized it could be used for more than transportation. Much of the strategic skeuomorphism at play in gyms today — the mechanized bikes, the mechanized stairs, the mechanized skis, the mechanized roads, the mechanized boats — can be traced back to Dr. Zander. He scanned the physical world and saw within it hundreds of outlets for exertion.

Een medewerker van het Handelsblad heeft een bezoekje gebracht aan het instituut en deelt zijn ervaringen:

Wanneer men een uur lang die gymnastiek actief en en lijdelijk heeft medegemaakt, dan gevoelt men zich uitgerust, opgelucht, opgevroolijkt. “Nu zoude ik een flinke wandeling willen gaan maken”, denkt men bij het verlaten van het Zander-Instituut. Maar dat kan niet, men moet naar kantoor om uren lang stil te zitten en te schrijven en te bewijzen dat wij en onze partij gelijk hebben en dat er bijzonder veel goeds en ook nog wel wat onvolkomens in het lieve vaderland is! Maar zelfs dat stilzitten en schrijven valt gemakkelijker na deze harmonische gymnastiek, welke allen spieren beurtelings een beurt geeft, en werkt met machinerieën, die den weerstand welken ze ons bieden nauwkeurig regelen naar den voorraad kracht waarover we beschikken.

De medewerker beschrijft vervolgens de apparaten die gebruikt worden in het Zander-instituut:

In de tuinkamer zijn allerlei werktuigen, welke in niets gelijken op die waarvan men er vele in een gymnastiekgebouw ziet. Hier duikelt men niet over zijn hoofd, hier klimt en springt men niet. […] Bij het gebruik van vele moet men liggen of zitten. Er staat zelfs een velocipède onwankelbaar vast, waarop men trappen kan naar hartelust. […]

Er zijn machines, waarvoor men wordt aangespannen met lederen riemen.

Men buigt voorwaarts en achterwaarts en brengt dus een gewicht in beweging. Maar dat gewicht wordt aan een hefboom vastgeschroefd naar ieders zuigkracht.

Daarnaast is er een elektrisch paard en een massage-machine:

Nu laat men zich masseeren door instrumenten met handen van guttapercha [een rubber-achtige substantie] die uw armen en beenen doen gloeien, doordien de circulatie wordt aangemoedigd, zoodat men zelfs op een kouden winterochtend in een paar minuten doorstraling krijgt als van een lange wandeling. Hamertjes van gom elastiek beuken met zachte overreding uw rug en borst…. een trillende, bibberende dwarslat, waarop men de enkels uitstrekt, doet het zenuwstelsel zacht vibreeren en versterkt het. Men moet diep ademen of men wil of niet… men wordt geschuierd laags den rug en zachtkens gekneed en gerold.

Alles heeft plaats onder toezicht van een deskundigen directeur en van geneesheeren. De vriendelijke helpsters, die de werktuigen bedienen, maken het ieder zoo gemakkelijk mogelijk te weten wat hij doen moet. Zandloopers hangen bij elk toestel, daar men niet langer dan twee of drie minuten elke afzonderlijke beweging uitvoert.

En als men een half uur, een drie kwartier of een uur in het Zander-Instituut geweest is, gevoelt men zich een ander mensch.

Bron

Terug naar… 28 november 1896

Het is koud in Europa. In Amsterdam is de temperatuur gedaald tot zo’n -2 ºC. Dit heeft nadelige gevolgen voor het scheepsverkeer in en rond de Zuiderzee:

Uit Monnikendam schrijft men ons: Het Monnikendammergat zit vol ijs. Het herinnert den winter van 1890/91, toen ongeveer op denzelfden tijd de vorst begon en zoo onbekend lang aanhield. De wind is Oost, dus is er veel kans dat de koude vooreerst aanhoudt.

Uit Kampen meldt men ons, dat de scheepvaart van daar naar Zwolle langs de kanalen en op de zijtakken naar Hasselt en Genemuiden, door de ingevallen vorst gestremd is.

De vorst heeft ook positieve gevolgen. Binnenkort kan er waarschijnlijk weer geschaatst worden op de ijsbaan achter het Rijksmuseum:

De wintervorst heeft met zijn verstijvenden adem de uitgestrekte watervlakte achter het Rijksmuseum gestremd en de leden van de Amsterdamschen IJsclub kunnen zich verheugen op een spoedige openstelling der banen. Het watervlak, dat gisteren nog geheel open lag, is in den afgeloopen nacht met een dicht ijskleed bedekt ongeveer 2 à 3 cM. dik. Wakken zijn er in weerwil van het vriezen bij wind, nergens te ontdekken, alleen vertoont het oppervlak overal kleine ribbels en hobbels.

De uitgestrekte oppervlakte ligt nog doodsch en verlaten, en een eenzame kraai krast er slechts zijn stemmingslied; maar binnen enkele dagen zullen de ploegen werkvolk met ijsschaven, schoppen en bezems komen en de hoofd- en bijbanen in een glanzenden, gladden spiegel omtooveren en tribunes en gebouwen in gereedheid brengen, om de dichte drommen rijlustigen te kunnen ontvangen.

Het bestuur van de Amsterdamsche IJsbaan heeft wijselijk besloten de banen niet te spoedig voor het publiek te openen, daar anders, evenals reeds zoovele jaren, binnen enkele dagen het te zwakke ijs stuk zou worden gereden en niet dan met veel moeite weer berijdbaar te maken zou zijn.

Men hoopt nu maar, dat de vorst aanhoudt en de dreigende sneeuwluchten in het Oosten loos alarm zijn; dan zullen waarschijnlijk reeds in het begin der volgende week de leden der Amsterdamsche IJsclub de schaatsen onder kunnen binden.

Daarnaast een leuk weetje over de zevende zoon:

Wanneer er in eene familie achtereenvolgens zeven zonen geboren worden, is de zevende zoon in staat wonderbare genezingen te doen. Te Loosdrecht beeft er vroeger een gewoond die bezocht werd door rijken en armen, van ver en nabij, en die naam gemaakt had allerwege.

Die man is dood. Maar nu is er weder een zevende zoon. ‘t Is nog een jong kind. Toch weet men nu al dat het ook een wonderdokter wordt.

Hoe men tot die wetenschap gekomen is? De moeder heeft gezien, terwijl het kind eon stuip had, dat onder do tong van haar zoon een klaverblad zichtbaar was. En dit is een zeker bewijs. Wel te verstaan, het klaverblaadje moet te voorschijn komen tijdens een stuip. Nu weet men het.

Bron

Terug naar… 22 november 1896

In de krant een hilarisch, slapstick-achtig verhaal over de Rotterdamse brandweer:

Gister (Donderdag) avond tusschen 9 en 10 uur was er brand. Waar? Dat wist men niet zeker, maar om ‘t even, er was brand, en de spuiten reden uit in het vaste geloof, dat zij den brand gauw genoeg vinden zouden. In dat geloof worden de spuitgasten versterkt, want nauw waren zij op straat of de waarschuwers kwamen al vertellen, dat de brand woedde op de Schiekade Wz. “Schie! Schie!” was het algemeen geroep, en voort ging het naar de Schie. Maar daar was niets aan ‘t handje: alle huizen stonden daar als alle dagen, geen vonkje was te bespeuren. Toen werd er geroepen “Verlaatstraat”, en rechtsomkeert ging het in vliegende vaart daarheen, maar ook in de Verlaatstraat viel niets te blusschen. “Jelui hebben niet goed gezocht”, hijgden de toeschouwers, “er is wèl brand op de Schie”. En weêr klonk het “Schie!” “Schie!” en weer ging het de Schiekade op, gevolgd door een steeds aangroeiende menigte, wier teenen soms wel eens in ernstig gevaar verkeerden. Die koppige roode haan wilde, ondanks alle waarschuwers, de Schiekaden maar niet met een bezoek vereeren. Eindelijk, nu wist men het, de brand was op den Hofdijk, en honderd kelen galmden: “Hofdijk, Hofdijk!” Toen, op het Hofplein, gebeurde er een malheur. De spuit, die de eerste was, scheen zelf moe te worden en te vinden, dat een der kleine café’s op het Hofplein, dat van den heer Kramer, waar men een paar stoepjes afgaat, ook voor een spuit een aangenaam rustplaatsje biedt, althans, door het uitwijken voor een rijtuig namen de jongens aan het touw een verkeerde richting, de man aan den boom kon zijn stuur niet houden en sprong ter zijde, en de spuit, perspomp voorop en zuigpomp achterna, huppelde vroolijk de trapjes af en bestormde met donderend geraas de deur van het café, die op zulke ruwe bezoekers niet is ingericht en dan ook leelijk gehavend werd. De bezoekers sprongen verschrikt van hun stoelen op, maar gelukkig bekwam niemand hunner en ook geen der spuitgasten eenig letsel. Met vereende krachten bracht men de spuit weer op den vlakken grond, terwijl de schade door heeren brandmeesters zal worden vergoed. Waar nu eigenlijk de brand geweest is, weet men nog niet.

Bron

Terug naar… 21 november 1896

Een kort bericht over geslepen (ha!) oplichters die de Sinterklaastijd aangrijpen om hun slag te slaan:

Sommige oplichters passen tegenwoordig weder een nieuw stelsel toe. In dezen tijd, nu de dames ‘s middags de deur uitgaan voor de St. Nicolaas-inkoopen, posteeren zich scharenslijpers in straat of op gracht. Zien zij mevrouw uitgaan, dan schellen zij een oogenblik later aan en zeggen tot de dienstbode, die hun de deur opent: “dat mevrouw — en dan volgt een juiste beschrijving van mevrouw’s wandeltoilet — hem opgedragen heeft de messen te slijpen, of het meisje ze maar geven wil.”

Het dienstmeisje, dat door de juiste beschrijving van mevrouws hoed en mantel meent dat de man besteld is, geeft de messen af en laat ze slijpen. Ze krijgt ze een oogenblik later geslepen terug, en dan wordt voor het werk een prijs gevraagd, zoo hoog, dat men er best nieuwe messen voor kan koopen. De man wordt lastig en het meisje betaalt. Als mevrouw thuis komt, bemerkt men dat er oplichterij is gepleegd. Men zij dus op zijn hoede!

Bron

Terug naar… 18 november 1896

Gerritje Kok uit Hilversum is een stereotiepe Boze Stiefmoeder. Vanmorgen moest ze voor de rechter verschijnen omdat ze haar zes-jarige stiefkind mishandelde:

niet alleen mishandeling (slaan, met de zweep ranselen en schoppen) wordt haar ten laste gelegd, maar ook wordt zij verdacht het kind voldoend dek, voedsel en drinken onthouden te hebben.

Het gedrag van de echtgenoot is niet veel beter (hoewel hij, ongelooflijk genoeg, alleen getuige is en geen verdachte):

Uit zijn verhoor bleek, dat de moeder voor het kind in een begrafenisfonds was gegaan. Zij zou gezegd hebben: “als het kind voor kermis komt te sterven, krijgen we een mooi duitje”, en er zou over een nieuwe japon gesproken zijn. […] Ook had hij gezegd, dat de jongen vier of vijf maal per dag geslagen werd; dat wist hij ook niet meer. Wèl kon hij verklaren, dat het kind minder goede ligging had, omdat het vuil was; minder voedsel kreeg, omdat moeder altijd zeide dat het kind reeds gegeten had. Ook bleek, dat de jongen er slecht uitzag en altijd op den grond moest zitten en dus niet met de anderen aan tafel mocht aanzitten. Getuige gaf zijn kind buiten weten van zijn vrouw soms een stukje brood, en hij wist heel goed, dat het niet voldoende in de lucht kwam. Getuige wilde niet tegen de vrouw optreden, omdat hij eenvoudig niet durfde, maar hij wist zeer goed, dat de handelwijze niet zoo was als het behoorde, en toen de president opmerkte dat het om den dood van het kind te doen was, zeide hij: “’t zou er wel toe gekomen zijn.”

De stiefmoeder…

verklaarde den jongen nimmer mishandeld te hebben; hij heeft wel eens klappen gehad. Niettegenstaande de vrouw de haar ten laste gelegde feiten ontkende, noemde de president beklaagde “een helleveeg”.

Omdat de hoofdgetuigen niet aanwezig konden zijn, is de zaak voor onbepaalde tijd uitgesteld. Dat wil echter niet zeggen dat Gerritje als een vrije vrouw de rechtbank kon verlaten:

Haar man, Theunis Kok, nam thans naast haar plaats voor een andere zaak. Beiden worden nl. beschuldigd in vereeniging heling van gestolen kleederen gepleegd te hebben. De kleederen waren door een der kinderen gestolen en waren pasklaar voor den man gemaakt.

[…] Het O.M. eischte voor beide beklaagden 6 maanden.

Het kind is inmiddels naar een Katholiek verpleeghuis gebracht.

Bron