Terug naar… 12 juli 1896

In november wordt alweer de 25e president van de Verenigde Staten gekozen. Het Handelsblad besteed vandaag uitgebreid aandacht aan de verkiezingsstrijd. De krant meldt dat de Republikeinen William MacKinley uitverkoren hebben als kandidaat. MacKinley is een goudman: goudmannen vinden dat de waarde van 1 dollar altijd gelijk moet staan aan 15 gram goud (elke dollarmunt bevat daarom deze hoeveelheid goud).

Daarnaast bestaan er zilvermannen: zij vinden dat er “zilveren” dollars geproduceerd moeten worden. Zilveren dollars zijn makkelijker te slaan omdat er veel meer zilver dan goud beschikbaar is. Bovendien willen de zilvermannen dat er bij het slaan van munten bepaald moet worden dat 1 gram zilver zestien keer goedkoper is dan 1 gram goud. Omdat de werkelijke marktwaarde van zilver veel lager is, hoeft een zilveren dollarmunt niet voor 1 dollar aan zilver te bevatten (goudmannen noemen deze munt daarom een “oneerlijke” dollar). Kortom, als de zilvermannen hun zin krijgen, kan er een bijna onbeperkte hoeveelheid geld gecreëerd worden. Met dit geld kunnen bijvoorbeeld buitenlandse schulden afbetaald worden of arme mensen geholpen worden. De inflatie zal echter toenemen. Daarom is vooral de Republikeinse partij (net als nu de partij die opkomt voor de rijkeren) tegen de plannen van de zilvermannen: het spaargeld van de welgestelden wordt namelijk aanzienlijk minder waard als er zilveren dollars geslagen mogen worden.

Het opvallende is dat MacKinley tot voor kort ook een zilverman was. Volgens de krant is hij goudman geworden omdat hij anders de steun zou verliezen van de zakenwereld. Principieel is anders. De krant is daarom weinig lovend over de Republikeinse partij:

De Republikeinse partij weet niet wat zij wil, ze heeft geen beginsel waarvoor gestreden kan worden en dat ze liefheeft, en ze is voornamelijke op winstbejag uit.

De partij heeft geen denkbeeld waarvoor ze strijden moet; ze heeft de meest onbestemde financieele politiek.

MacKinley is bovendien een protectionist. Ook daar heeft het Handelsblad geen goed woord voor over:

Mac Kinley, den aartsprotectionist, die het Amerikaansche volk meer dan ooit wil misleiden en verarmen door een wetgeving, welke eenige fabrikanten geld laat winnen ten koste van het geheele volk.

Tijdens de Republikeinse conventie waarin MacKinley gekozen werd, gebeurde er nog iets curieus:

Met gebed werd deze vergadering van zeer berekende, gladde politici en mannen van zaken geopend.

Maar wie moest het gebed uitspreken? De Republikeinsche partij, die een plotseling bekkerden zilverman tot candidaat van de goudmannen maakte, en die om te slagen met iedereen goede vrienden wil zijn, zag met bezorgdheid naar den katheder, van waar gebeden zouden worden opgezonden.

Want als een katholiek priester zou voorbidden, werd menig protestant geërgerd, terwijl katholieken zich zouden beleedigd achten, indien een predikant de gevouwen handen ophief.

Wat moest de leider van de allemansvrindspartij doen juist voor dat gestemd zou worden?

Ze vroeg den rabbijn te St. Louis om te bidden, meenend dat hij als Israëliet een neutraal standpunt innam tusschen protestanten en katholieken!

De Democratische conventie is overigens ook begonnen. De Democratische partij (net als nu de partij die opkomt voor de minder bedeelden) lijkt volledig aan de kant te staan van de zilvermannen:

Verklaard werd dat de gouden dollar, waarin het geld betaald werd dat Europa aan Amerika leende, de landbouwers van Amerika onder het slavenjuk van Europeesche en Oost-Amerikaansche gelddwingelanden gebracht had.

De grootste opgang maakte de heer Altgeld, de beruchte socialistische oud-gouverneur van Illinois. Deze revolutionair met wilde oogen eischt den zilveren dollar, met onbeperkte aanmunting, omdat in de Vereenigde Staten alles, van boerderijen tot naaimachines, interest betaalde aan Engelsche geldschieters. “Wat eenvoudiger dan lieden die goud leenden in zilver terug te betalen?” vroeg hij.

Het Handelsblad vindt het produceren van “oneerlijke” dollars zeer afkeurenswaardig en betreurt het daarom dat de extreme standpunten van de zilvermannen zoveel weerklank vinden bij de Democraten. “De democratische partij is door de socialisten veroverd,” klaagt de krant.

Bron

Terug naar… 11 juli 1896

In de krant van vandaag wordt het lot onder de aandacht gebracht van de arme zielen die in de zomer zitten te zwoegen op hun examens. Dat zijn er nogal wat, want in 1896 moeten er niet alleen eindexamens gemaakt worden, maar ook overgangsexamens (om over te gaan naar het volgende schooljaar; hierbij werd dus niet – zoals nu – gekeken naar je rapportcijfers) en toelatingsexamens. Bovendien ontkomen ook leerlingen op lagere scholen niet aan deze “examenwoede”. Er schuilt dus een kern van waarheid in de bewering dat in juni en juli de ene helft van de bevolking geëxamineerd wordt door de andere. Vooral de mensen met herexamens hebben het zwaar: zij houden helemaal niets meer over van hun zomervakantie… Herexamens zijn echter een noodzakelijk kwaad, vindt de krant. Het alternatief is namelijk dat leerlingen het jaar over moeten doen:

Vooral bij jongelieden die aanleg hebben en meekunnen, maar wien ’t aan voldoenden ijver heeft ontbroken, zal het offer [der?] zomervacantie veel minder kwaad doen dan de dwang om nogmaals dezelfde klasse te doorloopen, waar hij, wat de meeste vakken betreft, voldoende cijfers had erlangd.

Dat gezegd hebbende, vindt de krant dat er teveel geëxamineerd wordt. Het is logisch dat iemand die een bepaald beroep wil uitoefenen een examen moet afleggen, maar is het werkelijk noodzakelijk om op scholen leerlingen te examineren? Examenresultaten kunnen namelijk een vertekend beeld geven door bijvoorbeeld zenuwen. Gelukkig dat scholen behoorlijk flexibel zijn. Als iemand een examen verprutst, kan er toch besloten worden – mits deze persoon goede rapporten heeft gehad – om hem of haar te laten overgaan of te laten slagen:

Op alle vergaderingen van leeraren, waar de beslissing genomen wordt, zullen gevallen voorkomen dat de cijfers uit de gewone twee- of driemaandelijksche “rapporten” de schaal naar links of rechts doen overslaan. En dat is niet meer dan billijk. Een leerling die een twijfelachtig examen heeft afgelegd, kan men zonder schade voor hem zelf of de school bevorderen of met een getuigschrift ontslaan, als uit zijn rapporten, d. i. de ervaring zijner onderwijzers of leeraren, blijkt, dat hij geen luiaard of brekebeen is. En evenzoo zal die ervaring in andere gevallen, in ‘t belang van den leerling of de school zelve, een tegenovergestelde beslissing wettigen.

Eigenlijk zou er veel vaker geluisterd moeten worden naar docenten als leerlingen beoordeeld moeten worden. De opvattingen van een docent over iemands kwaliteiten zijn namelijk veel betrouwbaarder dan examenresultaten. Door meer af te gaan op docenten kan het aantal examens verminderd worden:

In die ervaring der eigen onderwijzers of leeraren is — dunkt ons — dan ook de eigenlijke waarborg gelegen; niet in een altijd wisselvallig en daarom onvertrouwbaar examen. Men schenke aan het onderwijzend personeel en aan hun onderling overleg dat vertrouwen — en de meeste school-examens zullen kunnen vervallen.

De krant doet vervolgens het volgende voorstel:

Wat wij zouden wenschen, is dus dat elke leerling die van de eene lagere of middelbare school tot een andere, of van de lagere tot de middelbare of het gymnasium wil overgaan een getuigschrift moet overleggen van het hoofd der school die hij verlaat, omtrent het voldoende van zijn vorderingen. Met zulk een verklaring gewapend, moet hij dan zonder examen worden toegelaten. Op dengeen die dat getuigschrift heeft afgegeven, rust dan de verantwoordelijkheid voor de waarheid daarvan.

Uiteraard is het mogelijk dat sommige docenten “ter wille van de ouders of om andere reden ‘geflatteerde’ verklaringen” gaan afleggen. Misbruik kan echter voorkomen worden door “o. a. openbaarmaking in de schoolverslagen, […] en de ouders voor zulke scholen te waarschuwen.” Volgens de krant staat ons een mooie toekomst te wachten als docenten meer vertrouwd worden:

De heetste dagen van het jaar zullen dan niet langer zijn een plaag voor de leerlingen en voor de onderwijzers en leeraren, en men zal niet noodig hebben — zooals wel eens is aangeraden — het begin van ‘t schooljaar en dus ook de examens naar een koeler seizoen te verplaatsen. Vooral echter hechten wij aan de groote paedagogische beteekenis der afschaffing. Vertrouw de onderwijzer, leg hun de verantwoordelijkheid op voor de leerlingen die zij afleveren, en gij zult meer en beter bereiken dan door handhaving der examenplaag.

Bron

Terug naar… 8 juli 1896

De Chinese grootkanselier, Li Hongzhang, maakt een rondreis door Europa waarbij hij ook ons land aandoet. Het is niet onverstandig van Hongzhang om de banden aan te halen met de westerse mogendheden; China staat er namelijk niet al te best voor en kan wel wat internationale steun gebruiken. Het jaar daarvoor heeft China de oorlog met Japan verloren en als gevolg moet het land een enorm bedrag aan herstelbetalingen overmaken aan de overwinnaar. Daarnaast moest China Taiwan afstaan aan de Japanners. Kortom, de Chinezen zijn enorm vernederd.

Hongzhang overnacht in Hotel Des Indes in Den Haag en is zondag ontvangen door de koninginnen. Gisteren heeft hij met de trein een dagtochtje gemaakt naar Amsterdam. De 74-jarige grootkanselier heeft na een rondvaart over het IJ de marinewerf, de Koninklijke Fabriek van Stoomwerktuigen en Spoorwegmateriaal, en de diamantslijperij der firma Daniels bezocht. De verslaggever van de krant viel het volgende op:

Als [Hongzhang] rookte, hield hij de pijp niet vast, doch een zijner dienaren stak hem die dan in den mond en dan deed de gezant daaraan eenige halen. Een andere dienaar volgde zijn meester den ganschen ochtend met een mandje, waarin een pot met thee voor hem warm werd gehouden.

Daarna werd de grootkanselier naar het Amstel Hotel gebracht. Eenmaal in de gang van het hotel, “verspreidden plotseling 250 electrische gloeilampjes, welke aan het plafond waren aangebracht en omslingerd waren door een guirlande van prachtige bloemen, haar tooverachtig zacht licht.” Na een receptie kreeg Hongzhang namens de Amsterdamse handel een lunch aangeboden in de eetzaal (die “schitterde van het prachtige zilverwerk en kristal”). Het menu:

Hors d’Oeuvre Riche.

Consommé Fumet de Truffes.

Vénitienne de Sales à la Montebello.

Filets Fondants Maison Dorée.

Bastions de Volaille Brillat-Savarin.

Jardinière de Primeurs en Suprème.

Cimier de Chevreuil à la Crême Royale.

Buissons de Langoustes Flanquées d’Homards et d’Ecrevisses.

Coeurs de laitues.

Timbales de Biscuits de Reims aux Fruits confits.

Bombe Merveilleuse à l’Orientale.

Berceaux de Fruita. Pièces Montées.

Palais Chinois.

Temples Indiens.

Piramides Egyptiennes.

Tijdens deze bescheiden lunch heeft de ondernemer August Hendrichs een toespraak gehouden. Het was een schaamteloos reclamepraatje. Hier een klein fragment:

De ingenieurs van ons land hebben spoorwegen in Amerika, Afrika en Azië gebouwd; zij hebben kanalen gegraven en meeren droog gemaakt; zij hebben rivieren genormaliseerd en de beddingen der stroomen verbeterd; zij hebben zich altijd onderscheiden door hun intellect en door hun arbeid. Naast deze ingenieurs bezit Holland […] een groot aantal machtige en bekwame aannemers voor waterwerken, die er niet tegen opzien hun verblijf te houden, waar belangrijke werken hen roepen en indien te eeniger tijd China hun dienst inriep, zouden zij er zich heen, begeven met ingenieurs, die de roem van ons land zijn en te zamen zouden zij bewijzen dat Holland het land is der meesters in waterbouwkundewerken. In Holland worden vervaardigd machtige machines in deze werken, welke voor alle deelen de werken worden geleverd.

Verder heeft de krant tijdens de terugreis naar Den Haag geleerd wat de Chinezen van ons land vinden:

De Chineezen zijn een en al bewondering over de lieftalligheid en schoonheid van onze jeugdige Koningin. Photographieën van H.M. beschouwen zij met blijkbaar genoegen en de minder fraaie koppen op de munten ontlokken hun den uitroep: “Een schoone vrouw!” Trouwens, de Europeesche dames vallen zeer in den smaak van de Chineezen; zij zeggen hardop — ten minste zoolang ze in Europa zijn — dat de vrouwen hier veel mooier zijn dan in China.

Li zelf is bijzonder ingenomen met Nederland en zijn ontvangst hier; hij beeft zijn tevredenheid geuit in een gedicht, waarmede bij nog meer is ingenomen dan met de ontvangst. Li roemde de vruchtbaarheid van Nederland, maar sprak het vermoeden uit, dat men hem alleen geleid zou hebben door de vruchtbaarste deelen. Het heeft een der heeren van zijn gevolg, die reeds meer in Nederland was geweest, wat moeite gekost om hem te overtuigen van het feit, dat geheel Nederland even vruchtbaar is als het deel, dat hij heeft doorreisd. De rustige, kalme aard van ons volk heeft den onderkoning getroffen; het was hem een verademing na de drukke dagen in Duitschland hier eenige kalmte te vinden. Maar onze grachten, in het bijzonder de Haagsche, lijken hem niet; hij heeft onomwonden zijn afkeer te kennen gegeven van den geur, welke daaruit opstijgt.

Bron

Terug naar… 6 juli 1896

De krant van vandaag bevat een advertentie van de Amsterdamse Caoutchouc-Compagnie (caoutchouc is een ander woord voor rubber) voor een voorbehoedsmiddel:

VEILIGHEIDSSPONSJES.
geprepareerd.
Amst. Caoutchouc-Compagnie,
KONINGSPLEIN 12.

Het sponsje is niet altijd even betrouwbaar (daardoor wordt het ook wel het “onveiligheidssponsje” genoemd) maar dat is – op algehele onthouding na – geen enkel voorbehoedsmiddel in 1896. In het boekje De voorbehoedmiddelen tegen zwangerschap van Jacobus Schoondermark jr. uit 1895 wordt aangegeven dat het veiligheidssponsje “het meeste gebruikelijke voorbehoedmiddel den tegenwoordigen tijd is”. Het moet volgens Schoondermark op de volgende manier gebruikt worden:

Een eenvoudig stukje fijne spons, zooals die in de apotheek verkocht wordt, ter grootte van een kindervuist en dat vooraf natuurlijk goed gezuiverd is van allerlei onreinheden, welke sponsen kunnen bevatten is aan een 15 centimeter lang zacht, zijden bandje bevestigd. Het sponsje wordt telkenmale vóór de uitoefening van den bijslaap [oftewel seks], achter in de scheede gebracht, nadat het vooraf met water vochtig gemaakt is. Het zal wel niet noodig zijn, hier mede te deelen, waartoe het zachte, zijden (niet gekleurde!) lintje dient. Het sponsje sluit den baarmoedermond […] af. Na afloop van den bijslaap wordt het sponsje verwijderd en niet weder gebruikt, voor het voldoende schoongemaakt is. Goed uitgewasschen met zeepwater, mits weder goed »uit de zeep gewasschen,” kan men met dit voorbehoedmiddel al zeer gemakkelijk en met zeer veel succes omspringen.

Het is misschien goed, er hier even op te wijzen, dat het van tijd tot tijd leggen van het sponsje in chloorwater of carbolwater, aanbeveling verdient.

Terloops waarschuwen wij hier tegen het gebruik van olie of vetten, waarin sommigen het sponsje vóór het inbrengen, doen. Door ontleding dier stoffen en het ontstaan daarin van zwammen, zou men bij overigens weinig stipte zindelijkheid, noodeloos schade kunnen veroorzaken.

In het boekje worden ook andere vormen van anticonceptie genoemd: condooms (weinig betrouwbaar omdat ze snel scheuren), vrouwenspuiten (waarmee na de seks water of zeepsop in de baarmoeder gespoten kan worden), periodieke onthouding en… afleiding:

Eene andere, eveneens weinig aanbevelenswaardige wijze van voorkomen der graviditeit bij de copulatie, bestaat in de afleiding van de zinnen, waarbij de man zijne gedachten zooveel mogelijk tot eenig onderwerp, b.v. tot zijn maatschappelijken werkkring behoorende, bepaalt. De waarneming leert n. l., dat de ontvangenis gewoonlijk verijdeld wordt bij een te spoedig, of ook bij een te laat ejaculeeren van het sperma en bij eene te geringe sympathie der echtelieden gedurende den coïtus. Op het oogenblik der ejaculatie moet, naar men zeer te recht aanneemt, deze hooge opwekking van den man samentreffen met die van de vrouw. Geschiedt zulks niet, dan is de conceptie bij overigens groot verschil in temperament en neigingen der beide echtelieden, niet zeer waarschijnlijk. Hieruit blijkt, dat de man en de vrouw, indien zij den kinderzegen begeeren, bij het bestaan van dat verschil, zich gedurende de cohabitatie naar elkanders neigingen moeten »regelen”.

(Schoondermark was naar eigen zeggen erelid van The Malthusian Leage. Deze Britse organisatie zag overbevolking als een groot probleem en pleitte daarom voor het gebruik van voorbehoedsmiddelen. In Nederland had je een soortgelijke organisatie: De Nieuw-Malthusiaansche Bond. Vanwege haar progressieve standpunten werd de Bond verguisd door het christelijke en conservatieve volksdeel. Het is overigens de vraag of Schoondermark echt erelid was van The Malthusian Leage. Schoondermark nam het namelijk niet zo nauw met de waarheid: hij noemde zichzelf bijvoorbeeld professor terwijl hij waarschijnlijk niet eens afgestudeerd was…)

Bron

 

Terug naar… 4 juli 1896

In 1896 mag elke plaats in Nederland zelf bepalen hoe laat het is. Ons land is daardoor opgedeeld in talloze tijdzones. Amsterdam gebruikt bijvoorbeeld de Amsterdamse tijd (Midden-Europese tijd min 40 minuten) en Groningen gebruikt de Groningse tijd (Midden-Europese tijd min 33 minuten). Als het dus in Amsterdam 13:00 is, dan is het in Groningen 13:07. (Groningse tijd loopt voor op Amsterdamse tijd omdat Groningen oostelijker ligt en de zon daar dus eerder opkomt.) Omdat bij het maken van een dienstregeling al die verschillende tijdzones voor verwarring kunnen zorgen, gebruiken de spoorwegmaatschappijen de Greenwich-tijd (Midden-Europese tijd min 60 minuten).

De Nederlandse regering wil een eind maken aan deze warboel en stelt daarom voor om een wettelijke tijd in te voeren (de “tijdregeling”). Als dit voorstel wordt aangenomen, gaan alle klokken in ons land de Midden-Europese tijd aanwijzen. Dit is overzichtelijker en het zorgt er bovendien voor dat de Nederlandse spoordienstregeling beter aansluit op de Duitse (onze oosterburen gebruiken namelijk al de Midden-Europese tijd).

Om de overgang naar deze nieuwe tijd makkelijker te maken voor haar burgers, stelt de regering voor om instellingen als scholen en postkantoren een half uur later te openen en te sluiten. Als een school in Amsterdam nu om 9:00 opengaat (9:40 in Midden-Europese tijd) en straks om 9:30, dan hoeven mensen maar tien minuten eerder hun bed uit te komen.

Het Handelsblad van vandaag bevat een stuk van iemand – overgenomen uit De Haagsche Courant – die groot voorstander is van het invoeren van de Midden-Europese tijd:

“Wat als practisch argument wel ‘t sterkst vóór den Midden-Europeeschen tijd pleit, is het verschijnsel, dat deze niet alleen in Duitschland zonder bezwaar is aangenomen, – dáár, zou men nog kunnen beweren, is het volk aan “massregeln” en blinde gehoorzaamheid aan zijne overheden gewoon – maar ook in het vrije Zwitserland zonder uitzondering overal is toegepast en…. zonder eenig het minste bezwaar werkt, zonder dat iemand er daar te lande meer aan denkt, dat men daar vroeger een Bazeler tijd had, zooals wij een Amsterdamsche, en zonder dat iemand ‘t in de gedachte krijgt, er een eigen klokregeling op na te houden. En dit ofschoon Zwitserland ten opzichte van den Midden-Europeeschen meridiaan juist even ongunstig gelegen is als Nederland.

“Zou dan ten onzent onmogelijk zijn, wat in die republiek, of liever in dien statenbond, wèl kan, waar toch nog heel wat meer reden zou bestaan dan in ons lard om zich aan den waren tijd te houden, omdat daar in menige streek de zon vrijwel het eenige is van de buitenwereld, waarmee de bevolking in aanraking komt?

Laten wij dan toch eens afstappen van onze vaderlandsche hebbelijkheid om in alles een eigenzinnig stukje wereld op zichzelf te wilen blijven. Meer dan een halve eeuw hebben we ons vastgeklemd aan onze Amsterdamsche ponden, Rijnlandsche duimen, kannen, koppen en maatjes; slechts met moeite scheiden we, nu nog, van de al lang verdwenen vier duiten, schellingen en daalders; en nu zouden we hetzelfde weer gaan vertoonen met de uren en minuten, vasthoudende aan onze particularistische klokken […]

“Laten we ons toch niet belachelijk maken tegenover het buitenland, dat al ruim genoeg lacht om onze eigenaardigheden en ons toch al beschouwt als een landje, dat, zich afzonderende van de beschaving, in vele opzichten iets aparts is en een antiquiteit met voorvaderlijke gewoonten en gebruiken.

“Want ware er niets voor te zeggen, men zou er overheenstappen. Maar het tegendeel is waar: de Midden-Europeesche klokketijd zou voordeelig zijn voor Nederland en de Nederlanders.”

(De tijdregeling zou trouwens niet aangenomen worden. Pas tijdens de Duitse bezetting werd de Midden-Europese tijd ingevoerd in Nederland.)

Bron