Terug naar… 31 juli 1896

Tragisch en bloederig nieuws uit Rotterdam:

Hedenmorgen had aan het station Delftsche Poort te Rotterdam een ernstig ongeluk plaats. Bij het vertrek van trein 4 van Rotterdam naar Amsterdam zou de conducteur Evers der [Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij] op de treeplank springen, doch struikelde, waardoor hij met het hoofd op de rails viel. Het hoofd werd door den trein geheel van het lichaam gesneden. Evers laat een vrouw met zes kinderen na.

Verder is er vegetarisch (en dus minder bloederig) nieuws:

Er zijn velen, die, hetzij om de redenen indertijd door dr. Van Eeden daarvoor gegeven, hetzij meer speciaal om gezondheidsredenen, neiging gevoelen tot het vegetarianisme, maar die bang zijn dat de kostjes, waarmede zij zich als vegetariërs zullen hebben te voeden, niet heel lekker, om niet te zeggen onsmakelijk, zullen zijn. 

Gelukkig is er nu het Kookboek van den Nederlandschen Vegetariërsbond. Dit boek bevat zo’n 350 vleesloze recepten.

Aan die recepten gaat in een paar hoofdstukken een inleiding vooraf, waarin de theorieën der vegetariërs nog eens uiteengezet worden, alsmede nog iets wordt medegedeeld over een aanbevolen kooktoestel. Men vindt daarna recepten over allerhande soorten gerechten, ook voor brood, sausen, dranken enz.

Smullen!

Bron

Terug naar… 26 juli 1896

Vandaag bevat de krant een lange verhandeling over de zaak Den Hartog. M. den Hartog is een Amsterdamse onderwijzer van sociaal-democratische snit die op 8 juli twee hoofdonderwijzers ernstig heeft geschoffeerd. In de krant van 19 juli is de scheldkanonnade van Den Hartog in al haar glorie afgedrukt:

“Zoo Baart, ben je daar? Heb je je 89 gulden al te pakken? Of hoeveel is ‘t? Ben jij een kerel, je moest je schamen, je bent een kwajongen! En aan jou Van Doorne, heb ik hetzelfde te zeggen. Je bent eveneens een kwajongen!”

Een nationale rel is het gevolg. Het is ongehoord dat een eenvoudige onderwijzer zijn meerderen uitmaakt voor kwajongens. Een “gruwelijke” belediging wordt het genoemd. De schoolopziener heeft daarom aan de Amsterdamse gemeenteraad verzocht om Den Hartog te ontslaan. De stemming hierover zal binnenkort plaatsvinden. Ondertussen wordt overal in den lande hartstochtelijk gediscussieerd over deze kwestie. Socialisten vinden – uiteraard – dat Den Hartog aan moet blijven. De brave burgers eisen daarentegen op hoge toon zijn ontslag. (Vermoedelijk zien zij in Den Hartogs anti-autoritaire gedrag het bewijs dat het socialisme enkel tot anarchie en chaos leidt… In hun ogen moet er daarom – om erger to voorkomen – keihard ingegrepen worden…)

A.C. Wertheim, een invloedrijke bankier en filantroop, heeft gisteren in een toespraak voor de gemeenteraad bepleit om Den Hartog niet te ontslaan. Hij wenste “dat men groote kinderen even zachtmoedig zou behandelen als kleine kinderen, en dat men het groote kind, Den Hartog, dus niet zal beoordeelen naar de onbekookte daad van één oogenblik.” Een andere spreker, ene Van Loenen Martinet, voegde daaraan toe “voor zijne kinderen te verkiezen een lastig onderwijzer boven iemand die de zaken maar met een Jan-Saliegeest laat loopen.” Na deze uitspraak volgde er applaus (van het publiek of van socialistische gemeenteraadsleden?). Het Handelsblad vindt echter dat Den Hartog zijn socialistische biezen moet pakken. Hij geeft namelijk niet het goede voorbeeld:

Men moet een volstrekte vreemdeling in Jerusalem zijn, als men niet weet dat versterking van tucht onontbeerlijk is onder het onderwijzend personeel, wil men dat dit onze kinderen voorga in die eigenschappen en deugden, zonder welke een staat zowel als een gezin te niet gaat.

Bovendien moeten fanatieke sociaal-democraten niet voor de klas gezet worden. Hun fanatisme maakt ze onverdraagzaam:

…nu meenen wij dat juist dat zulke dweepers al bijzonder ongeschikte opvoeders der jeugd zijn, vooral zoodra ze door onbeschofte daden toonen, dat ze die onverdraagzaamheid juist zo erg meenen als ze zeggen.

Bron

Terug naar… 24 juli 1896

Mensen die niet hun hoed afnemen als het volkslied wordt gespeeld: wie ergert zich er niet aan? Gelukkig heeft ene M.H.E. Bremer een ingezonden brief naar de krant gestuurd waarin hij dit oneerbiedige gedrag aan de kaak stelt:

Beleefd verzoek ik u, onderstaanden regelen een plaatsje te gunnen in uw veelgelezen blad. Voor eene korte wijle geleden, had ik op een Vrijdagavond het genoegen de schoone muziek te mogen genieten, die in het Vondelpark ten gehoore werd gebracht door het muziekkorps van het 7e regiment infanterie, maar het meeste genoot ik, toen na het spelen, van het “Wien Neêrlandsch bloed” [het officiële Nederlandse volkslied van 1817 tot en met 1932], de toehoorenden zoo vol enthousiasme waren, dat de heer Zaagmans het “Wilhelmus van Naspouwen” liet spelen.

Werkelijk, mijn vaderlandsch hart klopte sneller bij het zien van zulk een geestdrift onder het spelen der volksliederen. En toch… voldaan was ik niet, neen, want ik ergerde mij toch te gelijker tijd over die menschen en wel daarom, omdat niemand werkelijk “eerbied” toonde te bezitten. Eenige vrienden met mij, die ten teeken van eerbied, onze hoeden afnamen onder het spelen dier volksliederen stonden werkelijk te kijken, toen niemand der toehoorenden insgelijks deed; en toch, na het spelen der volksliederen, een geestdrift, die werkelijk eerbied afdwong. Ik voor mij meen te mogen zeggen, dat het Nederlandsche volk wel vooruitgaat in vaderlandsliefde, maar nog niet in het toonen van eerbied en m. i. zijn dit twee zaken, die onafscheidelijk zijn; dat men het laatste nalaat is, dunkt mij, alleen daarvan het gevolg, dat men niet beter weet.

Rechtgezinde Nederlanders, trouwe aanhangers van het Oranjehuis, denkt eens na over mijne woorden en gij zult tot de conclusie komen dat het een goed vaderlander eere aandoet, wanneer hij onder het spelen der volksliederen zijnen eerbied toont.

Bron

Terug naar… 19 juli 1896

Het Handelsblad bevat een rubriek, Van dag tot dag genaamd, waarin de schrijver zijn mening ventileert over verschillende onderwerpen. Deze rubriek begint vandaag op poÎtische wijze:

Het was een stille avond aan zee, een dier mid-zomeravonden van donkeren gloed in ‘t westen, met zacht geruisch van groote wateren, een zoele wind uit het Zuidwesten en in het Noorden een ijsheldere glans met lichtgroene strepen.

Dan ziet de schrijver een aantal fietsende meisjes:

Daar hossen over den hobbeligen steenen bergweg langs het duin een zestal jonge meisjes voorbij op tweewielers gezeten. Ze zagen er vroolijk en gelukkig uit, en men was ontwapend door die opgewekte jeugd, maar, van achteren gezien, is dat rijden van de vrouw op den tweewieler toch erg leelijk en onbevallig, en men heeft moeite er aan te wennen.

Toch heeft de fiets de vrouw een hoop vrijheid gebracht, vindt de schrijver.

Want het aantal ouderwetsche lieden, die zich nog niet recht wennen kunnen aan die op-en-neer gaande knieÎn, is toch reeds zoo klein en vermindert met den dag, en zelfs ouderwetsche ouders moeten erkennen, dat er nieuwe levensvreugde is gebracht in de wereld door het onhoorbare glijdende, glinsterende, snelle wiel.

Het is alsof vleugelen zijn uitgedeeld aan hen, die slechts konden kruipen. Vrijheid over de breede velden, langs zee en groote stroomen is gegeven aan jonge vrouwen, die vroeger na een korte wandeling langs de gracht op binnenplaatsen plagten uit te kijken, voorover gebogen zittend, met een borduurwerkje dicht bij het oog, terwijl moeder uit Walter Scott en de Stichtelijke uren en Van Lennep en Bosboom Toussaint voorlas.

Fietsende vrouwen zijn zo normaal geworden dat jonge meisjes tegenwoordig in plaats van een borduurschaar een fiets en een fietspomp krijgen. Met die fiets kunnen ze Nederland ontdekken en makkelijker jongens ontmoeten:

Hoe vrij en onafhankelijk gevoelt ze zich! Geen chaperonne kan snel mede rijden! Wat aan meisjes, die paardreden of roeiden, nooit veroorloofd zou zijn, wordt thans toegestaan, en we gelooven dat die vrijheid, die open omgang van jonge mannen met jonge vrouwen, even beschaafd als goed is. Het wiel, even als de schaats, bracht vrijheid in de te veel opgesloten en afgezonderde vrouwenwereld.

De schrijver bespreekt vervolgens de progressief geworden conservatieven, vrouwenmode (“een vrouw die thans haar mantel aandoet, heeft twee kameniers noodig om de ballon-schouders van vandaag in de mouwen van gisteren te duwen”), tennis (“ouderwetsch gezellig”) en sluit daarna hoopvol af:

De zomeravond glijdt onmerkbaar in een reinen, zacht donkeren zomernacht, en in het noorden blijft het ijs-heldere licht nog glanzen en slechts enkele starren enkele starren zijn te zien. Arcturus, het hemelwonder, gloeit bijna alleen door den schemerenden mist boven de lichtende zee.

En daar langs de ruischende golven over het harde strand, gaan langzaam twee aan twee, donkere gestalten, met de hoofden naar elkander gebogen, en de handen ineen. Ze gelijken van het duin gezien, op Chineesche schimmen, zoo donker komen de silhouetten uit tegen de vlammende zee. Het zijn jonge paartjes die, in de verte starende, een nieuwe toekomst van geluk zien oprijzen.

Want er is iets, dat aan geen mode onderhevig, en nooit ouderwetsch wordt! De oude geschiedenis die steeds jong blijft, was het laatste wat we meenden te zien, toen we de oogen afwendden van de groote zee. En zoo is het praatje nu uit.

Bron

Terug naar… 16 juli 1896

De Democraten hebben William Jennings Bryan gekozen als presidentskandidaat. Bryan, een tot nu toe obscuur lid van het Huis van Afgevaardigen, is een extreme zilverman (in tegenstelling tot de Republikeinse kandidaat McKinley). De krant typeert Bryan als een “politieke dweeper, met woeste, vurige welsprekendheid die hem vooral onder de kleine luyden een grooten aanhang deed verwerven.”
Tijdens de Democratische conventie in Chicago wist Bryan zijn kandidatuur binnen te slepen door middel van een briljante toespraak. In deze toespraak betoogde Bryan… 

dat de Amerikaansche arbeider het slachtoffer geworden is van het goud — niet omdat hij te weinig goud heeft, maar omdat zijn loon en inkoopen in goud worden berekend. Werd het zilver in eere hersteld, dan zou daardoor reeds het lot van den werkman verbeterd worden, meent Bryan. 

De Oostelijke bladen vinden dit gevaarlijke onzin. De New-York Sun spreekt van “het vleien der gevoeligheid eener opgewonden menigte, die Bryan door zijn toespraken meesleept.” En de New-York Herald sluit zich hierbij volkomen aan, tevens haar lezers opwekkend om op Mc Kinley te stemmen.

De krant verwacht daarom dat McKinley gaat winnen van Bryan. Spannend!

Bron