Terug naar… 30 juni 1896

Een kort berichtje over twee belhamels die in het Vondelpark ongeoorloofd snoeiwerk aan het uitvoeren waren:

Door een agent zijn naar het bureau gebracht twee jongens van 16 en 12 jaar, die in het Vondelpark rozen hadden afgeplukt en bij zijn komst op de vlucht zijn gegaan. Met veel moeite heeft hij hen, ondanks verzet van het publiek, in de Jacob van Campenstraat kunnen vatten.

Blijkbaar werd de agent tegengewerkt door het publiek toen hij de twee jongens wilde arresteren. Het was in 1896 niet ongebruikelijk dat oom agent het werken onmogelijk gemaakt werd. De politie was namelijk weinig populair bij het volk. Veel mensen hadden daarom meer sympathie voor arrestanten dan voor de sterke arm der wet. (Het idee dat men vroeger meer respect had voor de politie is dus een misvatting. Ik vermoed dat de politie tegenwoordig meer gerespecteerd en gewaardeerd wordt dan in 1896.)

Bron

Terug naar… 27 juni 1896

Een meisje uit Rijp valt na een succesvolle weddenschap door de mand… Of eigenlijk: uit de mand. En ze valt ook niet, maar ze wordt er uit gehaald. Van de trambeambten kon ze in ieder geval naar de pomp lopen. O, wacht: de pomp stond al bij haar in de buurt… Ik geef het op. Hier is gewoon het bericht:

Woensdag had aan het station Schermerhorn der Noordhollandsche Stoomtram een voorval plaats dat nogal vroolijkheid verwekte. Een meisje uit Rijp van misschien twintig jaar had, naar aan de N.R.C. wordt gemeld, een weddenschap aangegaan, dat zij zich als vrachtgoed per tram in een mand naar Schermerhorn zou laten vervoeren. “Ze zullen me niets doen!” had ze gezegd en was in de mand gekropen, die natuurlijk in een goederenwagen geplaatst werd. De mand en haar inhoud werd geadresseerd aan een inwoner van Schermerhorn en behoorlijk toegedekt. Te Schermerhom werd zij gelost en op het perron van het station voorloopig neergezet, ongelukkigerwijze echter in de onmiddelijke nabijheid van de pomp, waaruit de locomotief zoo noodig water ontvangt. Een paar trambeambten, die iets van het zaakje moeten geweten hebben, schoven de mand nu juist onder de waterpijp der pomp en gingen toen pompen. Toen kon de vermetele reizigster zich niet meer stilhouden; onder veel pret der omstanders werd zij uit de mand gehaald, waarna zij half doornat te voet naar Rijp terugkeerde. Doch ze had er vijf rijksdaalders mee verdiend, zeide ze. 

Terug naar… 24 juni 1896

Het Comité tot verbetering van den maatschappelijken en den rechtstoestand der vrouw in Nederland wil de koningin verzoeken om het verbod tot het onderzoek naar het vaderschap te schrappen. Een sympathiek idee, want dat verbod kan tot schrijnende situaties leiden: als je als ongetrouwde vrouw zwanger raakt en de vader je kind niet erkent, kun je dankzij dat verbod hem niet dwingen om bijvoorbeeld financiële steun te geven – je kan immers niet aantonen dat hij de vader is.

Hoe streng men ook oordeelen over gemeenschap buiten huwelijk, het kind hieruit geboren is onschuldig aan den misstap zijner ouders. Deze zijn aansprakelijk voor het gevolg hunner daden en het besef dezer aansprakelijkheid wordt verzwakt, door eene wetsbepaling, die het onderzoek verbiedt naar den niet vrijwillig erkennenden vader.
Door de thans geldende regeling wordt alle last voor het onderhoud van het kind geschoven op de hiertoe meestal te zwakke schouders der moeder en wordt aan het kind in den voor hem toch reeds zoo moeilijken strijd in het leven, alle aanspraak onthouden tegenover den plichtvergeten vader. Den vader, die zedelijk dezelfde verplichtingen tegenover het kind heeft als de moeder, wordt door de wet geen verantwoordelijkheid opgelegd, tenzij hij zelf het vaderschap erkenne, of hiertoe gedwongen worde in de weinige gevallen in ons burgerlijk wetboek voornoemd.

Bron

Terug naar… 21 juni 1896

In 1896 is men dol op jubilea. Regelmatig verschijnen er in de krant uitgebreide verslagen over de huldeblijken die gebracht worden aan militairen, kunstenaars, politici of andere hotemetoten die zoveel jaar in het vak zitten. Vandaag wordt er melding gedaan van het feest dat gegeven is om te vieren dat Barend Stokvis, hoogleraar in de fysiologie en pathologie aan de Gemeente Universiteit (tegenwoordig de Universiteit van Amsterdam genoemd), veertig jaar geleden gepromoveerd is. De jubilaris houdt zelf een toespraak waarin hij vertelt hoe zijn vader hem vroeger motiveerde. Een aardig verhaal, ondanks het dédain voor de arbeidende klasse dat er uitspreekt:

Op de eerste klas van de Latijnsche school zat ik maar versjes te maken en deed ik alles wat ik niet moest doen, en het resultaat was dat ik met overging. En het tweede jaar begon niet beter. Toen riep mijn vader mij bij zich, op een dag, en wees mij op den schoenmaker in het pothuis aan den overkant. “Als je zoo doorgaat” zei hij, “dan moet je maar bij dien man in de leer gaan. Je voert niets uit, en als je niet wat beter je best doet, komt er niets van je terecht. Als je niet anders kunt doen dan versjes maken, moet je maar een zangerige schoenlapper worden, dan deug je voor de studie niet”. Dit onderhoud had op Stokvis een diepen indruk gemaakt. Een zoo ernstig en welwillend man als zijn vader zou zoo niet gesproken hebben als hij niet begrepen had dat hij op den verkeerden weg was. Alleen omdat hij eens niet was overgegaan, zou hij hem niet tot zulk een bestaan hebben willen veroordeelen. “Want daar te zitten kloppen, kloppen, kloppen, dag in dag uit, iets ergers kon ik mij niet denken”. En van dien dag af had de zoon zich gebeterd en was hij aan het leeren gegaan

Bron

Terug naar… 18 juni 1896

In 1896 is de grootste drugshandelaar in Nederland… de Nederlandse staat. Gedurende de 19e eeuw importeert de staat grote hoeveelheden ruwe opium die in Nederlands-Indië via Chinese tussenpersonen – in ruil voor een pachtsom – geraffineerd en verkocht mogen worden. De pachtsommen die de staat vraagt, zijn behoorlijk hoog. Dit is goed voor de schatkist en het drijft de prijs van opium omhoog. Hierdoor wordt het gebruik van dit verslavende middel – hoopt men – enigszins binnen de perken gehouden. Het pachtsysteem is echter verre van perfect. Door de hoge prijzen wordt er door o.a. eerdergenoemde handelaren veel goedkope opium de kolonie binnengesmokkeld en illegaal verkocht. Bovendien vindt men het maar niets dat schimmige Chinese handelaren steenrijk worden door dit systeem (Chinezen zijn in 1896 niet erg populair in Nederlands-Indië).

Om meer controle te krijgen over de opiumhandel wordt er sinds kort in sommige gebieden geëxperimenteerd met een alternatief voor het pachtsysyeem: de opiumregie. Dit houdt in dat de Nederlandse staat zelf de opium raffineert en verkoopt. Tussenhandelaren zijn dan niet meer nodig en illegale handel kan makkelijker bestreden worden. Volgens een bericht in het Handelsblad (waarbij er uit een Nederlands-Indische krant geciteerd wordt) is dit experiment nog geen onverdeeld succes aangezien opiumregie vooralsnog minder oplevert dan het pachtsysteem. Dit suggereert dat er meer dan ooit gesmokkeld wordt:

“Uit goede bron is ons althans verzekerd, dat in Pasoeroean over de vorige maand door de regie ruim ƒ12000, in Probolinggo bijna ƒ9000 minder is ontvangen dan verleden jaar over dezelfde maand door de pacht. Dat zou per jaar een verlies opleveren van respectievelijk ƒ144,000 en ƒ108,000. Schitterend kan men zulk een uitkomst juist niet noemen. Alleen in Besoeki schijnt het beter te gaan. Daar bracht de regie over April een kleine ƒ4000 meer op dan de pacht verleden jaar, doch dit compenseert de verliezen in Probolinggo en Pasoeroean op verre na niet. […]

“Vooralsnog schijnt men den smokkelhandel nog niet meester te zijn. Dit is de eenige verklaring, welke de feiten naar het ons voorkomt toelaten. Wij hopen, dat de toestand spoedig verbetert. Het zou zeker ernstig te betreuren zijn, indien de slechte resultaten der proef de Regeering van de verdere invoering der regie afschrikken. Met volharding dient te worden gestreeft naar de vernietiging van den sluikhandel; dit toch blijft onder elk stelsel, pacht of regie, een onverbiddelijke eisch”.

Bron