Terug naar… 29 maart 1896

J. Doyer, kapitein der artillerie van het Oost-Indisch leger, heeft in Artis een lezing gegeven over de Batak: een verzameling volkeren die leven in Noord-Sumatra. Doyer vertelt onder andere iets over trouwrituelen, religie en… kannibalisme:

Tot zijn spijt moest [Doyer] toegeven, dat dit euvel onder hen bestaat, doch het neemt zeer sterk af, dank zij voor een groot deel den invloed der zendelingen. Bovendien is het menscheneten nooit zoo algemeen geweest; het berustte op grond van den adat, het volksgebruik. Zoo werden bv. spionnen, overspelers en dergelijke personen wel gegeten. Dit mocht alleen buitenshuis geschieden, nooit binnen, en alleen volwassenen namen aan den maaltijd deel. Als verontschuldiging mag tot op zekere hoogte dienen het denkbeeld, dat niet alleen het lichaam werd opgegeten, maar ook de booze ziel.

Opgegeten worden vanwege overspel… Misschien een idee om het volgende seizoen van Temptation Island op te nemen in Noord-Sumatra?

Bron

Terug naar… 28 maart 1896

In het Handelsblad een verslag van een lezing die gegeven werd door de heer P.G. van Schermbeek, directeur van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. Er bestaan ongetwijfeld mensen die boeiend kunnen vertellen over de productie van tapijten. Het lijkt er echter op dat de heer P.G. van Schermbeek niet tot die selecte groep stervelingen behoort. Een klein stukje uit het lange, lange, lange verslag:

Na de pauze kwam [spreker] tot de Brusselsche en Wilton-tapijten, die met roetjes vervaardigd worden. De Brusselsche tapijten zijn reeds sedert het einde der vorige eeuw bekend. Toen zij uit de hand gemaakt werden, kon een werkman de 6 meter per dag halen, nu het machinaal geschiedt 35 meter. [Spreker] trad in eene uitvoerige beschouwing omtrent de vervaardiging der Brusselsche en Wilton-tapijten, en de verbeteringen, die naar aanleiding daarvan uitgevonden zijn, waardoor men het zoover heeft kunnen brengen, dat volgens elke teekening geweven kan worden, bijv. het Axminsterweefsel, dat echter het nadeel heeft, dat eerst een patroon van geheele grootte moet gemaakt worden. Voor een kleed van 5 bij 6 meter moet een reep in verschillende kleuren geverfd worden van 6 K.M. lang. Van zulk een reep kan men evenwel 200 kleeden van hetzelfde patroon maken, zoodat deze fabricatie niet de moeite loont, wanneer men van een patroon niet veel vraag heeft.

Gaap! Ik behoor natuurlijk tot de MTV-generatie, dus het kan best zijn dat een negentiende-eeuwse toehoorder op het puntje van zijn stoel gaat zitten als het over roetjes gaat. De volgende passage doet me echter vermoeden dat het publiek de lezing net zo saai vond als ik:

Inlichtingen werden door de aanwezigen niet gevraagd, zoodat de voorzitter, de heer C.B. Posthumus Meyjes, namens de vergadering, den dank aan den heer Van Schermbeek voor zijne belangrijke lezing bracht.

Blijkbaar wilde iedereen zo graag naar huis dat niemand een vraag wilde stellen of mensen waren simpelweg in slaap gesukkeld…

Daarnaast heeft de krant het volgende bericht overgenomen uit de Dordrechtsche Courant:

Een bekende stadgenoot komt onlangs voor het loket aan het telegraafkantoor en wil naar Uruguay seinen.
Dat ging uitstekend.
Toen moest er naar Papendrecht geseind worden.
Dat ging niet.
“Maar — en hier helderde het gelaat van den telegraafambtenaar op — “bent u niet telephonisch aangesloten?”
— ?! Het bleek dat onze stadgenoot voor telephonissche telegrambestelling was aangesloten.
— Dan kunt u wel seinen.
— Goed, wilt u dan…
— Nee, pardon meneer, u kunt dan wel seinen, maar alleen van uit uw huis.
— Kan ik dus niet…
— Onmogelijk meneer…
Eu onze stadgenoot ging dus van het telegraafkantoor naar zijn huis om… te kunnen telegrapheeren.

Bron

Terug naar… 26 maart 1896

In de krant een uitvoerig stuk over trans-atlantische stoomschepen. De schrijver begint met de observatie dat het moderne leven ontzettend ingewikkeld is. Hij beseft…

dat juist in de laatste helft van onze eeuw, alles zoo groot en te gelijkertijd zoo mechanisch geworden is, zoodat men met recht van het mechanisme van het moderne leven kan spreken, waar vroeger van bewerktuigd zijn van het leven der maatschappij nauwelijks sprake kon zijn. Of onze maatschappij daarom beter is, of grooter? Wij zouden het niet durven beweren.

Door alle technische ontwikkelingen is het heel normaal dat wij…

even op een middag, een visite kunnen gaan maken te Haarlem en nog weer op tijd op onze sociëteit zitten; dat wij iederen dag onze courant thuis ontvangen en een brief maar in een bus behoeven te gooien om hem, waar ook, bezorgd te krijgen

Met bijna datzelfde gemak kunnen we tegenwoordig afreizen naar Amerika. Volgens een vaste dienstregeling (dat was vroeger wel anders!) vertrekken er met grote regelmaat oceaanstomers naar de nieuwe wereld. Deze schepen zijn behoorlijk gerieflijk (ook dat was vroeger anders). Aan boord bevinden zich

kellners, koks, huisknechts, schoonmaaksters of schoonmakers enz. in massa, allen menschen, die eenvoudig werken om het verblijf op zee voor den passagier zooveel mogelijk te laten gelijken op het leven aan den wal, die hun werk precies doen, als zij het aan land, in een hotel bijv. doen zouden en die dus geen zeelieden kunnen heeten.

Zo’n reis naar New York duurt – als je de Nederlandsch-Amerikaansche lijn neemt – elf of twaalf dagen. Vind je dat niet snel genoeg? Dan kun je beter een schip nemen van de Cunard-rederij. (De schrijver vermeldt dit niet, maar met bijvoorbeeld de R.M.S. Lucania van Cunard ben je in minder dan zes dagen in New York.) Al die snelle, luxe schepen kosten handenvol geld. Het vervoeren van passagiers is daardoor zelden winstgevend. Veel rederijen worden daarom met subsidies overeind gehouden. Voor regeringen zijn de oceaanstomers namelijk een prestigekwestie, legt de schrijver uit. In de laatste alinea denkt hij met weemoed terug aan de goede oude tijd van kleine scheepjes en ruwe zeebonken. Hij verzucht:

Het moderne leven in het groot heeft werkelijk […] wat van een mechanisme gekregen en de menschen zijn als kleine stukjes van een rad, als een moleculetje ijzer, dat met het rad “stoomvaart” […] beweegt. En dat is nu juist niet het mooiste van het moderne leven.

De stoomschepen die 120 jaar geleden over de zeeën voerden zijn allang gesloopt of naar musea gebracht. Het vervreemdende gevoel dat de schrijver bekruipt als hij het moderne leven beschouwt, is echter net zo actueel als in 1896. De radertjes zijn immers alleen maar kleiner geworden…

Bron

Terug naar… 22 maart 1896

Vandaag bevat de krant een ingezonden brief van ene A. Fresco:

Somtijds zou men niet gelooven dat men in de verlichte 19[e] eeuw leeft, waarin men hoe meer en meer leert dat de Chr[i]sten van een Israëliet en de Israëliet van een Christen moet leven.

Wat toch is mij geschied? Mijn vader en moeder waren Israëlieten, natuurlijk ook ik, doch als Israëliet moet ook ik evenals elk ander, de wereld door. Kellner van beroep, vervoegde ik mg ter verkrijging eener betrekking, omdat de Maatschappij waarbij ik werkzaam was, tijdelijk is gesloten, bij de directie van den Parkschouwburg, welke wederom is geopend. Met een getuigschrift van eene 14-jarige dienstvervulling bij één patroon begaf ik mij daarheen, nog voorzien van goede aanbeveling van mijnen tegenwoordigen chef en werd dan ook op de lijst van de sollicitanten geplaatst.

Eene oproeping volgde, en — hoe kan zoo iets in onzen tegenwoordigen tijd nog plaats vinden? — toen ik mij bij de directie, voorzien van mijne oproeping en met de wetenschap dat een van mijn patroons mij bij de Directie als eerlijk en braaf man warm had aanbevolen, vervoegde, werd mij door de directie van den Parkschouwburg aangezegd dat er geene Israëlieten in dienst werden genomen, “niet om geloofshaat maar om ééne kleur te houden!”

Is dat billijk? Iemand van onbesproken gedrag, waarvan getuigschriften voorhanden zijn, mag niet in het onderhoud van zijn gezin voorzien, omdat hij Israëliet is! Zou de directie van den Parkschouwburg ook geene entreebiljetten aan Israëlieten verkoopen, opdat ook het bezoek aldaar van ééne kleur blijven — ofschoon alle “geloofshaat ia uitgesloten”?

We hebben inmiddels prachtige wetten tegen discriminatie, dus als anno 2016 een werkgever een sollicitant afwijst uit racistische motieven, mompelt hij iets over andere kandidaten die geschikter zijn en wast vervolgens zijn handen in onschuld.

Dat noem ik vooruitgang!

Terug naar… 19 maart 1896

Uitgevers opgelet: “eene dame” is op zoek naar iemand die haar gedichten en verhalen wil uitbrengen. Ze hoeft er niet eens een vergoeding voor te ontvangen. Om aandacht te vragen voor haar werk heeft ze in het Nieuwsblad voor den Boekhandel het volgende gedichtje geplaatst (integraal overgenomen door het Handelsblad):

Ik wensch, bij mijn leven,

een boek poëzy

en proza te geven.

Wie wil het van mij?

‘t Is ‘t zelfde, welk ventje

mijn werkje geeft uit.

Ik verg voor ‘t presentje

Geen koperen duit.

Degeen, die vereeren,

me wil dan zoo’n boek,

dien kies ik der heeren,

die vliên uit den hoek.

Als deze onbeholpen rijmelarij representatief is voor de rest van haar oeuvre, dan vrees ik dat geen enkel “ventje” zit te wachten op haar “presentje”. Misschien maar goed ook, want in de negentiende eeuw kon een talentloze dichter het zwaar te verduren krijgen. Een berucht voorbeeld hiervan is William McGonagall (1825-1902). De verzen van deze Schot stonden zo slecht bekend dat hij tijdens voordrachten met eieren bekogeld werd door het publiek (desondanks bleef hij geloven dat hij een groot dichter was). Dat lot zal deze dame waarschijnlijk bespaard blijven.