Terug naar… 28 februari 1896

Het is koud: volgens de weerbericht in de krant van vandaag wijst de thermometer 30 Fahrenheit aan (-1,1 graden Celsius). De Spaarne en de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder zijn vanwege het ijs gestremd. Tragischer consequenties had het ijs in Opheusden: “Twee knapen, 11 en 13 jaar oud, zoons van E. Stroombergen, waagden zich op het nog te broze ijs der uiterwaarden. Beiden zakten er door en verdronken vóór hulp kon worden geboden.” Bijna onvoorstelbaar hoeveel tragiek en drama een berichtje van twee zinnen kan bevatten… Vrolijker winternieuws komt uit Amsterdam: De IJsclub op het Museumplein heeft haar baan weer opengesteld. Veel ijs lag er niet. “Doch er waren toch menschen gekomen; voor het merendeel jonge dames. Om twaalf uur begon het ijs blank te staan en was de pret uit.”

In de rechtbank stond een zekere I.I. Samson terecht vanwege het beledigen van een politieagent. Hij had namelijk het volgende tegen de agent gezegd: “Je bent in kennelijken staat van dronkenschap.” Samson beweerde eerst dat zijn beschuldiging niet tot de agent was gericht, maar dit werd tegengesproken door een getuige. Daarna veranderde Samson zijn verhaal. Volgens Samson had de agent, die lastig was voor de omgeving, hem aangemaand om door te lopen. “Ik vermeen dat je gek of dronken bent,” had hij daarom tegen hem gezegd. Dit had hij echter geroepen in het belang van de agent. Het O.M. eiste vervolgens een maand gevangenisstraf. Samson, die zichzelf verdedigde, snapte niet waarom zijn uitspraak zo beledigend was. Daarom was een celstraf van een paar dagen gepaster, vond hij.

Daarnaast bevat de krant het volgende curieuze bericht:

Gisteravond is naar het politiebureau gebracht een jongen, die op den Nieuwendijk de aardigheid (!) had met zijne met potlood zwart gemaakte handen, de dames in het aangezicht te wrijven.

Bron

Terug naar… 22 februari 1896

De krant van vandaag bevat een goede reden om wat vaker uit te slapen: van vroeg opstaan kun je namelijk krankzinnig worden…

Een Amerikaansch krankzinnigen-dokter heeft onlangs verklaard, dat vroeg opstaan de oorzaak kan zijn van krankzinnigheid. Hij is het eerst op dit denkbeeld gekomen door het veelvuldig voorkomen van krankzinnigheid onder den boerenstand. Deze werd wel toegeschreven aan eenzaam leven van de boeren, aan hun hard werk en ook aan het eten van te veel aardappelen. Maar dr. Talcott vindt de reden in het vroeg opstaan. Er zijn menschen, die misschien vroeg opstaan een bewijs van krankzinnigheid noemen, maar zonder zoo ver te gaan, meent de geneesheer dat het vaststaat, dat de gewoonte om vroeg op te staan den menschen het gevoel van superioriteit boven anderen geeft, en hieruit komt de overspannen geestestoestand voort, die tot krankzinnigheid kan leiden.

Overigens stond men in 1896 over het algemeen vroeger op dan wij. In de parlementaire enquête naar de toestand in fabrieken en werkplaatsen uit 1887 wordt bijvoorbeeld een Amsterdamse schilder geïnterviewd die het volgende vertelt over zijn werktijden:

maar wat is ook het leven van de menschen? Zij moeten te 4 uren opstaan, om te 5 uren op het werk te zijn; waar zij behoudens een half uur schafttijd, tot 8 uren blijven en te 9 uren thuis komen

Dit soort werktijden waren aan het eind van de negentiende eeuw geen uitzondering (hoewel men na de enquête van 1887 wel met wetgeving kwam die voorschreef dat vrouwen en kinderen maar maximaal 11 uur per dag mochten werken). Er was bovendien een zesdaagse werkweek, dus de meeste mensen konden alleen op zondag uitslapen. Ik zou om minder krankzinnig worden…

Bron 

Terug naar… 16 februari 1896

Volgens Aristophanes – als we Plato mogen geloven – werd de wereld vroeger bewoond door mensachtige wezens met twee hoofden, vier armen en vier benen. Hun arrogantie was echter zo ondraaglijk dat Zeus besloot om ze allemaal in tweeën te hakken. Er ontstonden op die manier organismen met één hoofd, twee armen en twee benen: de mens. Dit verklaart waarom we een partner zoeken. We hopen op die manier weer herenigd worden met degene met wie we vroeger één geheel vormden. Liefde is niets minder dan het verlangen om samen te smelten met onze wederhelft. Maar hoe vind je deze persoon? Hoe lokaliseer je de Enige Ware? In 1896 was dat minstens zo moeilijk als nu.

De krant van vandaag bevat een bericht over een relatief nieuwe strategie om de Enige Ware op te sporen: de huwelijksadvertentie. In Nederland zijn deze advertenties nog een zeldzaamheid, maar in het buitenland worden ze steeds gebruikelijker. De schrijver geeft vervolgens een kleine selectie weer van “vermakelijke” advertenties. Neem bijvoorbeeld het volgende bizarre aanzoek van een meneer uit Wenen (dat al zesmaal in de krant heeft gestaan en daarom waarschijnlijk geen grap is):

Een beschaafd koopman, 42 jaar oud, zedig, bescheiden, ernstig van aard, met een hoog ontwikkeld plichtgevoel, verdraagzaam, van aanzienlijke familie, bekleedende een hooge betrekking in een van ouds gunstig bekende handelszaak, doch vrijwillig zijn ontslag genomen hebbende, met primissima referenties en ruim VIJFTIEN DUIZEND GULDEN VERMOGEN, en die nog meer heeft te wachten, liefhebber van boeken, in het bezit van een zeer kostbare groote particuliere bibliotheek van wetenschappelijke werken wenschte, ten einde PROTECTIE te krijgen, zich aan te sluiten bij een hem in den geest verwante familiekring te Weenen, om een passende BETREKKING ALS AMBTENAAR TE VINDEN, en, het eenzame jonggezellen leven moede, ja bestraald door den morgenzon van idiocratische wedergeboorte, zich met een sympathiek wezen, dat hem hart en hand wil schenken voor een verbintenis voor het leven, voor HYMENS ALTAAR TE VERBINDEN. Brieven onder het motto: DOOR PROZA EN POËZIE TOT DE VERBINTENIS VOOR HET LEVEN te zenden enz.

In diezelfde stad woont een vrouw die “uit de eentonige kleurloosheid van haar afzondering te voorschijn tredend, als goed geconserveerde weduwe, die nog in het bezit is van de kleederen van wijlen haar echtgenoot, een passenden heer als levensgezel” zocht. Niets is immers aantrekkelijker dan een vrouw die je in de kleren van haar overleden man wil hijsen… In een andere advertentie geeft een vermogend man aan dat vrouwen moeten reageren onder het motto: “Gij zult mijn Heer zijn”. Fifty Shades of Grey avant la lettre!

De schrijver merkt op de mannen over het algemeen meer eisen hebben dan vrouwen. Een Engelsman uit Chicago geeft bijvoorbeeld aan dat hij op zoek is naar “een dame, brunette, met donkerblauwe oogen, beschaafd en uit den aanzienlijken stand, 5 voet 4½ duim lang, 39 duim borstwijdte en een taille van 38½ duim.” Schoennummer 3½ en handschoennummer 5½ zijn daarnaast een aanbeveling. Volgens de schrijver overschrijdt hij hiermee de “grens van het mogelijke.” Daar zit wel wat in, dunkt me. Daarna vergelijkt de schrijver de advertenties van een Amerikaanse dame en een Japanse jonkvrouw. De Amerikaanse dame is behoorlijk bombastisch:

Medeburgers. Zult gij onverschillig blijven, wanneer een landgenoote, jong, schoon, goed opgevoed, muzikaal, met gevoel voor kunst, kortom een wezen, dat alles bezit wat een man liefde kan inboezemen wat hem gelukkig kan maken, haar toevlucht moet nemen tot de dagbladen om een man te krijgen? Op, talmt niet langer! Uw wachtwoord zij voortaan: Voorwaarts, trouwen of sterven! Maar zijt niet bevreesd. Zoolang de wereld bestaat, heeft nog nooit een schuchter jonkman het hart van een schoone veroverd.

De advertentie van de Japanse jonkvrouw is daarentegen lieflijk als een sierlijk waaiertje:

Een jonge dame wenscht in het huwelijk te treden. Zij is zeer schoon, haar gelaat is een roos gelijk en door donker kroeshaar omlijst. Haar wenkbrauwen vertoonen den vorm van de halve maan, de mond is klein en sierlijk. Ook is zij zeer rijk, rijk genoeg om aan de zijde van een levensgezel des daags de bloemen te bewonderen en des nachts de sterren aan den hemel te kunnen bezingen. De man, die zij zich kiezen zal, moet eveneens jong, schoon en beschaafd zijn en met haar eenzelfde graf willen deelen.

Het is natuurlijk wel oppassen met huwelijksadvertenties. Zo kreeg een handwerksman een reactie van een vrouw die zei dat ze gevangen zat. Toen hij haar probeerde te bevrijden gebeurde het volgende:

de jonge man was nauwelijks over den muur, toen een waker op den vermeenden dief toesnelde en hem geducht afranselde. De jonge lieden, die de grap hadden bedacht, lachtten in hun vuistje, maar de trouwlustige werkman werd naar het politiebureau gevoerd, waar gelukkig de zaak weldra opgehelderd werd. Hij zwoer — wat laat — dat hij liever ongetrouwd zou blijven, dan zich ooit weder te wagen op den “meer en meer gebruikelijken weg.”

Zoals de Everly Brothers ooit zongen: Love hurts!

Bron

Terug naar… 13 februari 1896

Ziekenhuizen hadden in het begin van negentiende eeuw geen goede naam. Het was een plek voor arme sloebers die te weinig geld hadden voor een dokter aan huis. Bovendien was de kwaliteit van zorg zo erbarmelijk dat patiënten meestal in een doodskist het ziekenhuis verlieten. In de loop van de negentiende eeuw veranderde dat. Door betere hygiënische omstandigheden en meer kennis over het bestrijden van ziekten ging het ziekenhuis langzaam lijken op de instelling zoals we die nu kennen. Toch was niet iedereen in 1896 even enthousiast over ziekenhuizen. Het Handelsblad bevat een verhaal over Kaatje, een vrouw “die leefde van aalmoezen” uit Utrecht. Het arme mensje werd “uitgeteerd van ellende en ontbering” op haar kamertje gevonden. Vervolgens werd ze in een ziekenhuis opgenomen.

“Daar zag ik haar hedenmiddag…. geheel onherkenbaar, zegt de correspondent. De dikke laag vuil, die anders haar gelaat en haar bedekte, was verdwenen; de lompen, die haar anders om het lijf hingen, hadden plaats gemaakt voor een net zindelijk pakje, en een helder witte muts dekte haar thans gekamde haren. En zij glimlachte zelfs, toen de dokter haar vriendelijk vroeg hoe zij het maakte. “O meneer, kostelijk, kostelijk! Wat heb ik lekker gegeten vanmiddag, en wat zijn die juffrouwen goed voor me!”

“Nadat de dokter nog met een paar andere vrouwtjes, die met haar aan de tafel zaten, gesproken had, vroeg Kaatje hem eensklaps: “maar, meneer, mag ik er nu asjeblieft een Maandag weer uit?” En de geneesheer antwoordde vriendelijk: “ja, ja, een Maandag hoor als je weer heelemaal beter bent!”

“Daarop hield hij zich met andere patiënten bezig en ik, verbaasd dat die vrouw uit deze nette, zindelijke omgeving naar haar eenzaam en ellendig thuis terug verlangde, vroeg haar, waarom zij weer zoo graag weg wilde, en kreeg fluisterend ten antwoord: “och meneer, een mensch is toch graag zijn eigen baas, niewaar, en, ziet u…. ik moest hier eens komen te sterven, dat zou ik niet graag willen; mijn vader en mijn moeder zijn ook op haar eigen bed gestorven, al is het dan ook een beetje minder….”

In Madrid is een meteoriet (of aëroliet) neergestort:

“Maandagmorgen om 6.30 werd een sterk licht waargenomen, komende uit een kleine wolk die zich van het zuidwesten naar het noordoosten bewoog. Anderhalve minuut later werd een vreeselijke slag, gevolgd door verscheiden andere minder hevige, gehoord en deed den grond en de gebouwen dreunen. Een roodgetinte wolk was langen tijd zichtbaar in het oosten. […] Te oordeelen naar den tijd die verliep voordat de slag werd gehoord, moet de aëroliet op grooten afstand van de aarde zijn gebarsten.”

De lucht was helder en de zon scheen op het oogenblik der ontploffing. Deze veroorzaakte een algemeene paniek in de stad en vooral op de markt; vele personen vielen flauw, en het bijgeloovige volk dacht aan een wraak des Hemels.

In een tabaksfabriek dacht men aan een aardbeving, en al de werklieden stormden tegelijk de trap af, die onder hun gewicht bezweek; zeventien hunner bekwamen ernstige wonden. […] E[e]n jonge man sprong van schrik uit een raam van de eerste verdieping en werd met gebroken ledematen opgenomen. […]

In verschillende huizen scheurden de muren door de geweldige dreuning en één huis stortte geheel in. In het gebouw der Amerikaansche ambassade viel een muur in en werden verscheiden ramen verbrijzeld. […]

Te Castellana zat een heer de Imparcial te lezen, toen een stukje van de aëroliet op het blad viel en er een gat in brandde.

Bron

Terug naar… 10 februari 1896

In het Handelsblad staat vandaag een stuk over “electrisch voortbewogen voertuigen”. Jazeker, in 1896 bestonden er al elektrische auto’s. Nou ja, auto’s… De beschreven voertuigen lijken meer op koetsjes:

Het electrische rijtuig met vier plaatsen en de landauer verschillen in uiterlijk weinig van de thans gebezigde, door paarden voortbewogen. De landauer bevat een batterij van 32 elementen en twee motoren, ieder van 1.2 Kilowatt, overeenkomende met een normaal vermogen van 3.6 paardenkrachten. Het rijtuig met vier plaatsen heeft een batterij van 25 elementen en twee motoren ieder van 0.9 Kilowatt gevende een totaal van 2.5 paardenkrachten. De capaciteit van de batterij is voldoende voor een doorgaand effect van 2.5 paardenkrachten gedurende 5 uren.

In tegenstelling tot voertuigen met gas- of petroleummotoren hebben elektrische rijtuigen geen last van “onaangename lucht, geraas van het mechanisme, ontsnapping van hitte en rook en niet het minste de verplichte aanwezigheid van brandstof”. Wel zijn elektrische rijtuigen zwaarder, duurder en hebben ze een lagere actieradius. Daarnaast heb je steeds volle “accumulatoren” nodig. Dat laatste kan op de volgende manier opgelost worden:

In steden met inrichtingen tot verschaffing van electrische energie, kan men aannemen dat zich depots van accumulatoren zullen vormen, geheel gereed om degene te vervangen die uitgewerkt hebben, zoodat belangrijk oponthoud op het midden van het af te leggen traject daardoor niet zal behoeven voor te komen.

Bij mijn weten zijn die depots er niet gekomen in Nederland. Opmerkelijk genoeg kondigde autofabrikant Tesla in 2013 aan dat ze van plan waren battery swap stations op te zetten: plekken waar je je lege accu kunt vervangen door een opgeladen exemplaar. Blijkbaar is dit idee al minstens 120 jaar oud…

Bron