Terug naar… 30 januari 1896

Sinds de ontdekking van Röntgen-stralen (of X-stralen) begin dit jaar staan er regelmatig berichten in de krant over dit nieuwe fenomeen. Vandaag blijkt uit een ingezonden stuk dat sommige mensen zich grote zorgen maken over deze stralen. Nee, niet vanwege de schadelijke effecten op de gezondheid (over stralingsziekte was niets bekend in 1896) maar omdat onverlaten mogelijk naaktfoto’s kunnen schieten met deze techniek. Het Handelsblad geeft in een snedige reactie aan dat we hier niet wakker van hoeven te liggen:

In een “ingezonden stuk” wordt ons gevraagd of de houten badkoetsjes aan het strand niet met ijzer moeten gepantserd worden uit vrees voor onbescheiden photografen die, nu hout doorzichtig blijkt te zijn, met X-stralen aan het werk gingen.

We gelooven dat deze pantsering nog kan uitgesteld worden, omdat men toch enkel….. geraamten zou afgebeeld krijgen.

Ter informatie: als men in 1896 wilde zwemmen, huurde men een badkoetsje. Het koetsje werd de zee ingereden waarna de heer of dame zich kon omkleden. Vervolgens kon hij of zij het water induiken zonder door iemand gezien te worden. Op ons komt dat overdreven preuts over, maar laten we niet te hard oordelen. Wie weet dat men over honderd jaar onze seksegescheiden douches en toiletten ook bijzonder eigenaardig vindt.

Terug naar… 29 januari 1896

Pessimisme over het heden en het ophemelen van het verleden is iets van alle tijden. In 1896 probeerde de Berlijnse hoogleraar Hans Delbrück dit duidelijk te maken tijdens een lezing. De krant rapporteert:

Als men sommige geschriften van deze dagen gelooven mag, zoo begon hij zijn rede, dan is geen tijd zoo verdorven geweest als de onze. En daarop riep [Delbrück] een aantal getuigen op, van de hoogste oudheid af, die van hun tijd hetzelfde hadden verklaard. Niet alleen de kerkvaders en de minnezangers, maar ook Grieksche wijsgeeren en zelfs Homerus, waar men lezen kan dat het vroeger heel wat beter is geweest. Van oudsher is er geklaagd over verwijfde jongelingen, over de slechtheid der vrouwen en ook der mannen, over de verdorvenheid der dienstboden, over de oneerlijkheid der kooplieden en tusschenhandelaars, over ongeloof, over onbeschaamde schrijvers.

Volgens Delbrück is 1896 zo slecht nog niet. De massa wordt bijvoorbeeld steeds welvarender. Dat blijkt o.a. uit het feit dat de vleesconsumptie de afgelopen eeuw verdubbeld is. De mensen die klagen over deze tijd zouden vroeger van honger zijn omgekomen, stelt Delbrück. Waar komt dit geklaag trouwens vandaan?

Er zijn altijd tijden van meer en van minder welvaart geweest. De klachten door het slechte dat men zelf ondervindt en het goede van voorheen, komen vooral voort uit het streven naar een ideaal, de eigenschap die den mensch boven het dier verheft.

Bron

Terug naar… 28 januari 1896

In 1839 werd de eerste spoorlijn van Nederland in gebruik genomen (het traject Amsterdam-Haarlem). In de twee decennia die volgden, werden er echter relatief weinig nieuwe spoorlijnen aangelegd. De regering had daar namelijk geen geld voor over. Ondertussen hoopten ze dat private partijen dit klusje zouden opknappen. Die waren daar jammer genoeg niet voor te porren. Nederland begon daardoor hopeloos achter te lopen op het gebied van spoorwegen. Terwijl in Engeland en België de bielzen niet aan te slepen waren, bleef Nederland een land van modderige weggetjes en trekschuiten. In 1860 besloot de regering daarom om zelf een spoornetwerk aan te leggen. Daarna konden private partijen de verschillende spoorlijnen exploiteren. Dankzij dit besluit lag er in 1896 een uitgebreid spoornetwerk dat alle grote steden met elkaar verbond.

Toch waren er nog steeds plaatsen in Nederland waar deze technologische ontwikkelingen niet helemaal doorgedrongen waren. In het Nieuws van den Dag verscheen een ingezonden brief – geschreven in onbeholpen Nederlands – waarin iemand zich vrolijk maakt over de mogelijke reacties van Mijdrechtenaren als ze ooit een spoor zouden zien. Blijkbaar waren ze in Mijdrecht weinig gewend op het gebied van mechanische voortdrijving. Het Handelsblad heeft de brief in zijn geheel overgenomen en voorzien van ietwat hautain commentaar:

De groote vraag is tegenwoordig: wat zal men te Mijdrecht zeggen wanneer men daar eens een spoor ziet? Waarom? De reden ligt opgesloten in het volgende briefje, dat aan het eind van deze eeuw niet zonder karakteristieke waarde is en aan het [Nieuws van den Dag] door een verlichten geest uit genoemd plaatsje toegezonden werd:

Mijn Heer de Redacteur
vergun mijn een klein plaas ruimt in u veel gelees blad toe valg was ik 23 yanuarie 1896 te mijderegt plotsins was er een vreeslijk op loop van menschen wat was er te doen daar kwam de beurt schipper aan met stoom vermoogen dikwijls hoorde ik zeggen og og hoe douwe ze dat tot voor uit dat is het eerste vaarttuig met stoom ver moog wat daar verschijnt wat zal er nu wel gezegt woorden als die lui te mijderegt eens een spoor zien.

Bron

Terug naar… 27 januari 1896

Volgens de krant van vandaag zijn er 2.000 Armeniërs vermoord in het Ottomaanse rijk. Korte voorgeschiedenis: Armeense christenen eisten meer rechten. Sultan Abdul Hamid, een nadrukkelijk onverlicht despoot, zag dat echter als een gevaar voor de eenheid van zijn voornamelijk Islamitische Ottomaanse rijk. Armeense christenen werden daarom onderdrukt en vermoord, waarna verschillende Europese landen boos gingen stampvoeten (deze periode van vervolging moet trouwens niet verward worden met de Armeense genocide die plaatsvond in 1915). De sultan beloofde vervolgens hervormingen die de Armeniërs moesten beschermen. Die belofte van de sultan is echter weinig waard, schampert de krant, want nu blijkt…

…dat er 2000 Armeniërs zijn vermoord. Slechts enkelen daarvan werden doodgeschoten, en dezen zijn nog gelukkig te prijzen, want het lot der overigen was veel gruwelijker. Handen, armen en beenen werden hun eerst afgehakt, en na een nameloos lijden werden zij met bijlslagen afgemaakt. In een wijk van 300 huizen bleven slechts tien mannen gespaard; van de 2000 Armenische huizen zijn er slechts een vijftigtal overgebleven. De overlevenden, in de weinige huizen opeengehoopt, komen om van honger en koude, en tot overmaat van ramp is de dysenterie onder hen uitgebroken. De gruwelen waren het werk van Turken, maar ook eenige Koerden namen er aan deel.

Overigens zijn sommige historici van mening dat deze nieuwe massaslachtingen voor een belangrijk deel het resultaat waren van de Europese interventiepogingen. De hervormingen die verlangd werden, versterkten namelijk de vrees van de Ottomanen dat de Armeniërs hun rijk – dat er sowieso weinig florissant voorstond – van binnenuit zouden opblazen. Het trieste gevolg hiervan was extremer geweld jegens de Armeniërs: precies het omgekeerde van wat de Europese landen wilden bereiken.

Bron

Terug naar… 26 januari 1896

De krant bevat een recensie van het toneelstuk Droomen, uitgevoerd door Het Nederlandsch Tooneel. In het stuk, geschreven in verzen door mejuffrouw Caroline Banck, breekt een vrouw (Frieda) haar verloving af en gaat er vervolgens vandoor met een “knappen viool-virtuoos”. Ze spreekt daarbij de volgende woorden: “Wie zegt ons, dat ook wij op onze beurt niet droomen?”

De recensent is van mening dat het een “lief” stuk is, maar de teksten zijn soms wat te banaal. De regel “Ik vond de rekening en dan de lege flesschen” vond hij bijvoorbeeld niet heel dichterlijk. Ook viel het de recensent op dat de strohoed van Frieda meerdere keren van eigenaar verwisselde: eerst werd hij afgepakt door Hans en daarna hield Richard hem vast. Met veel moeite lukte het Frieda om de hoed weer te bemachtigen. In het publiek riep toen iemand: “Ze heeft hem, hoor.”

Een korte zoekactie op het internet leert mij trouwens dat het oeuvre van mejuffrouw Caroline Banck voorgoed van de aardbodem verdwenen lijkt te zijn. Haar werken zijn namelijk onvindbaar. Ik denk niet dat we veel missen, maar het heeft toch iets treurigs. Elke schrijver sterft twee keer: hij sterft voor de eerste keer als zijn hart stopt met kloppen en hij sterft voor de tweede keer als zijn teksten voor de laatste maal gelezen worden. Het ziet er naar uit dat Caroline Banck twee keer gestorven is. Om Shakespeare te citeren (in de vertaling van Albert Verwey): wat Tijd gaf wordt nu door Tijd gehoond.

Bron