Zwitserland

Vorig weekend op bliksembezoek geweest in Zürich. Een van de belangrijkste financiële centra’s in de wereld, maar dat zie je er niet echt aan af. Het is een nogal provinciale plaats. (De Zwitsers zijn nogal xenofobisch, maar een paar vrolijke negers – mensen als Quintis uit de Lassie-reclame bijvoorbeeld – zouden het straatbeeld leuk weten op te fleuren.) Bovendien is de stad (en heel Zwitserland trouwens) volgebouwd met saaie en lelijke gebouwen. Ik weet niet wat de Zwitsers met al die joodse tegoeden hebben gedaan, maar ze hebben het in ieder geval niet uitgegeven aan architectuur.

Ook opvallend: wat zijn die Zwitsers een chagrijnig volkje. Ik heb nog nooit zulke donkerbewolkte, stuurse gezichten gezien als in Zwitserland. Er kan geen glimlachje vanaf als je een deur voor iemand openhoudt. Als je in een konditorei aangeeft een broodje te willen kopen, probeert de verkoopster je eerst weg te kijken en, als dat niet lukt, helpt ze je pas – terwijl haar nukkige gezichtuitdrukking doet vermoeden dat je haar aan het overvallen en verkrachten bent. Het schijnt dat ze in de lente, als de dagen langer worden en de Edelweiss weer begint te bloeien, wel iets vrolijker zijn, maar wat mij betreft mogen ze vanaf vandaag een flinke hoeveelheid antidepressiva in het drinkwater flikkeren.

Toch is het een prachtig land met prachtige bergen. En er zijn vast ook wel genoeg leuke en aardige Zwitsers – ik heb ze alleen niet ontmoet. En de kaas is er goed. Ter afsluiting een rake typering van Zwitserland door Dorothy Parker (uit 1931, maar niet minder actueel):

“They make cheeses, milk chocolate, and watches, all of which, when you come right down to it, are pretty fairly unnecessary. It is all true about yodelling and cowbells. It is, however, not true about St. Bernard dogs rescuing those lost in the snow. Once there was something in the story; but, what with the altitude and the long evenings and one thing and another, the present dogs are of such inclinations that it is no longer reasonable to send them out of work, since they took to eating the travelers. Barry, the famous dog hero, credited with the saving of seven lives, is now on view, stuffed; stuffed, possibly, with the travelers he did not bring home.”

Uit de oude doos

Uit de oude doos: een boekbespreking (maar ook tegelijkertijd een pastiche en een collage) die ik gehouden heb toen ik twaalf was en in de eerste klas zat van de middelbare school. Uiteindelijk is een geschreven versie van mijn bespreking in de schoolkrant beland met een introductie van mijn toenmalige leraar Nederlands, meneer Van der Wal.

Het komt nogal eens voor dat leerlingen bij het vak Nederlands gevraagd wordt een boekbespreking te houden. Vaak zien ze daar tegenop, vooral ook omdat ze weten dat dertig paar ogen hen aan zullen zitten staren. Gelukkig gebeurt het ook dat leerlingen zonder enige schroom hun woordje doen. En het wordt echt genieten als ze een boekbespreking gaan houden over een niet bestaand boek, maar een die gebaseerd is op flarden van andere boeken. Pure nonsens dus. Hieronders volgt kortom de mafste boekbespreking van het afgelopen jaar, een toegift voor de toenmalige klas B1E.

‘Ik ga mijn boekbespreking houden over het teken in de tussenwereld. De hoofdpersonen zijn Harri en Emiel, die eens van een onbewoond eiland met een palm in een pot zijn weggehaald door pappa Mumbo.’

De schrijver

Dit is Evert Kuijer Arendsoog jr. Hij is geboren in Amsterdam en studeerde tot 1993 psycholohie. Daarna kwam hij erachter dat hij ook onzinboeken kon schrijven met de inspiratie van andere schrijvers.

De personen

Piet: Toevallige voorbijganger
Jan: Staat bij het strijkijzer
Klaas: Onderhouder van Harri’s hutje
Kees: Tuinman van Snelle Jelle
Dirk en Willem: Bouwvakkers, die hebben trouwens geen rol in het boek
Constatijn: Prins
Prins Bernhard: Ex-vliegenier
Wicki de Viking: stripfiguur
Snozem1 en Snozem2: Grenswachter met rood haar

De inhoud

Als Emiel en Harri in de tussenwereld lopen met toestemming van Robert Leeuw, worden ze achtervolgd door Richardo, een trouw lid van de maffia. Ze proberen te vluchten en een gat in de grens te slaan, maar ze worden tegengehouden door de snozems. De snozems zijn een soort grenswachters. Om door het gat in de grens te komen roepen ze de hulp van tante Sidonia in. Die kan wel met haar strijkijzer de snozems overwinnen, maar dan struikelt Sidonia over een dode indiaan en is zelf ook dood. Maar gelukkig is er een vervangende kloon die Snelle Jelle heet en goed kan voetballen. Snelle Jelle kan ook het strijkijzer besturen en samen met Emiel en Harri vluchten ze uit de tussenwereld naar de eindwereld. Daarna worden ze opgesloten in een kelder met aleen bloemen. Ze noemen de kelder dan ook: Bloemen in de kelder (maar dat is een heel ander boek). Harri werd ziek en moest weer eens bloemen plukken voor de boze heks.

“Harri overleefde het avontuur niet, hij werd doodgeslagen door een grote vlieg. En ik kan zo nog veel meer onzin vertellen, maar dat is niet leuk meer. Nu ga ik een stukje voorlezen, als Harri de kloon Snelle Jelle ontmoet in de Bieschbosch:

En Harri klopte op het bescheiden hutje van Snelle Jelle. Opeens kwam er een klein, mager ventje in de deuropening staan die met een trillende stem zei: ‘Knibbel. Knabbel, knuisje, wie staat er voor mijn huisje?’

En Harri schreeuwde: ‘Ik! Ik sta voor het krotje. Kom mee, jij kunt toch het strijkijzer besturen en daarmee vluchten we uit de tussenwereld.’

‘Ja, maar,’ stamelde Snelle Jelle, ‘ik ben niet meer zo’n Snelle Jelle als vroeger.’

En toen sloeg hij Snelle Jelle in zijn buik en Snelle Jelle overleefde deze genadeslag niet, dus kwam er een familielid – Snelle Jelle senior – in de deuropening staan en die rende op Harri af en zei: ‘Bedankt dat je mij van Snelle Jelle junior hebt gered.’

Snelle Jelle senior rende naar een oud hokje om Nijntje – zijn huiskonijn – op te halen en toen zei Harri: ‘Leuk, ik heb ook een Nijntje piep boekje.’”

Dit was mijn boekbespreking over dit leuke boek. Je kunt het in geen enkele boekwinkel vinden, dus moet je zelf maar wat verzinnen.